Abstracts

29 mei -1 juni 2019

Ten Geleide

Wie een brug legt/  naar een ander/ kan altijd heen/ en terug.

(Jana Beranová, Tsjechisch-Nederlandse dichteres en vertaalster)

De vereniging voor neerlandistiek in Centraal-Europa, Comenius, zal in mei 2019 zijn dertiende Regionaal Colloquium Neerlandicum houden. Precies 20 jaar geleden verwelkomden wij onze collega´s in Bratislava. De afdeling neerlandistiek te Bratislava kent aan onze faculteit een traditie van vertalen en tolken in combinatie met Nederlandse taal en cultuur en wil graag iedereen uitnodigen om bruggen te slaan tussen verschillende disciplines onderling.

Daarbij gaan we graag uit van het principe van Lateraal denken. In 1970 introduceerde Edward De Bono dit psychologisch principe om creativiteit te stimuleren via een methode van zes denkhoeden. Normaal gezien is een mens geneigd om een zo recht mogelijke lijn te volgen van begin tot einde via bekende wegen. Maar wat gebeurt er als we platgetreden paden verlaten en bruggen slaan naar andere disciplines, tussen culturen, talen literaturen, vakken en beroepen met behulp van nieuwe denkmethodes, creativiteit, optimisme en pessimisme, emoties en intuïtie, probleemdenken en schijnbare onmogelijkheden terug reëel maken? 

We zijn bijzonder verheugd om in dit book of abstracts maar liefst 82 bijdragen ontvangen te hebben van een heel divers spectrum van vakgebieden. We hebben ze gebundeld in drie hoofdstromingen, namelijk ten eerste vertaalkunde en taalkunde,  ten tweede cultuur, kunst en geschiedenis, en ten derde literatuurwetenschap en literair vertalen. Deze abstracts werden ook beoordeeld door een comité van beoordelaars.

Deze bundel bevat ook aandacht voor een didactisch ondersteunend project in verband met sociaal tolken of public service interpreting and translation, PACI. Een samenwerking tussen vier universiteiten, een brug geslagen tussen Brussel en drie Midden-Europese Universiteiten, we stellen de werking van dit project voor.

Tot slot slaan we een brug naar het verleden en nemen we afscheid van drie steunpilaren van de neerlandistiek in onze regio. Professor Jana Rakšányiová neemt afscheid in Bratislava, Herbert van Uffelen van de neerlandistiek te Wenen en Judit Gera als vakgroephoofd aan de ELTE-universiteit te Boedapest. Bij wijze van afscheid nemen hun drie oud-promovendi en opvolgers in de regio het woord.

Voor redactie,

Benjamin Bossaert & Marketa Štefková

benjamin.bossaert(at)uniba.sk

marketa.stefkova(at)uniba.sk

Keynotespeakers – taalkunde en vertalen

Meertaligheid historisch, in het heden en de toekomst– Keynotespeakers doc. mgr. Jozef Tancer, PhD., prof. dr. Rita Temmerman, prof. dr. Hans Bennis

Jozef Tancer (Univerzita Komenského v Bratislave) 

Mehrsprachigkeit in der Habsburgermonarchie
(deze keynotelezing zal in het Duits plaatsvinden)

In  diesem Vortrag möchte ich einige grundlegende Aspekte der Mehrsprachigkeit im polyglotten Raum der Habsburgermonarchie geben. Die Mehrsprachigkeit war hier einerseits als Folge der endogenen und exogenen Pluralität der Monarchie (Moritz Csáky) eine vom Alltag untrennbare individuelle und private Kommunikationsform. Andererseits handelte es sich um ein kollektiv hoch umstrittenes und durch diverse Sprachideologien und Machtinteressen motiviertes Thema. Wie der Osteuropa-Historiker Peter Haslinger schreibt, stellt die Sprachproblematik, die auch die Fragen der mehrsprachigen Kommunikation einschließt, „ein zentrales, wenn nicht sogar das Problem des Gesamtverbands der Habsburgermonarchie im langen 19. Jahrhundert dar“.

Miteinbezogen soll dabei die mehrsprachige Kommunikationspraxis der Institutionen, die eine Art Vermittlungsinstanz zwischen der Ebene der abstrakten politischen Diskurse und der Ebene der Kommunikationsbedürfnisse des Alltags bilden. Zum Schluss möchte ich das Fortdauern des polyglotten Habsburgischen Erbes in den zentraleuropäischen Nachfolgestaaten in Form von urbanen Mythen reflektieren, da die Mehrsprachigkeit eines jener sozialen und kulturellen Phänomene ist, anhand dessen wir in Zentraleuropa nicht nur von Diskontinuitäten, sondern auch von gerbten Traditionen sowohl im positiven als auch im negativen Sinne sprechen können.

 

Biografie

Jozef Tancer is literatuurwetenschapper en historicus. Hij doceert Duitse literatuur aan de Filosofische Faculteit van de Comenius Universiteit te Bratislava. Hij is de auteur van de monografie Im Schatten Wiens. Zur deutschsprachigen Presse und Literatur im Pressburg des 18. Jahrhunderts (Bremen 2008) en Der schwarze Sabbat. Die Brandkatastrophe in Pressburg 1913 als Medienereignis (Bratislava 2012). Zijn laatst gepubliceerde monografie Rozviazané jazyky. Ako sme hovorili v Bratislave. (Losgemaakte tongen. Hoe we spraken in Bratislava, 2016) onderzocht het taalgebruik en meertaligheid van verschillende huishoudens in de hoofdstad van Slowakije. Jozef Tancer is vakgroepvoorzitter van de leerstoel voor germanistiek, neerlandistiek en scandinivistiek, legt zich vooral toe op Duitstalige cultuur en literatuur in het Hongaarse deel van de voormalige Habsburgse monarchie en onderzoek naar (historische) meertaligheid.

Hans Bennis (Algemeen secretaris Nederlandse taalunie)

Meertaligheid in het Nederlandstalige gebied

In Nederland, Vlaanderen en Suriname is het Nederlands de standaardtaal. Deze drie gebieden zijn echter in allerlei opzichten meertalig. Zo zijn er duidelijke verschillen tussen Nederlands Nederlands, Vlaams Nederlands en Surinaams Nederlands. Niet alleen binnen de standaardtaal, maar ook daarbuiten zijn er vele vormen van meertaligheid. Grote dialectverschillen; regionale met het Nederlands verwante talen als het Fries, het Limburgs en het Nedersaksisch; Surinaamse talen als het Sranantongo en het Sarnami; het Engels aan de universiteiten; de talen die nieuwkomers mee brengen; het Duits in het oosten en het Frans in het zuiden van het taalgebied. Het is duidelijk dat Nederland, Vlaanderen en Suriname meertalige samenlevingen zijn. Dat vraagt om beleid rond de vraag hoe overheden met deze meertaligheid moeten omgaan, bijvoorbeeld op school of op de universiteit. In deze lezing zal ik ingaan op enkele kwesties die recent aan de orde geweest zijn en die vaak voor ophef in de samenleving hebben gezorgd. Het is belangrijk om meertaligheid te beschouwen als uitgangspunt voor taalbeleid, maar het is zeker niet gemakkelijk om een dergelijk beleid te realiseren.

Biografie

Hans Bennis (1951) is algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie. Als voormalig directeur van het Meertens Instituut (KNAW) en bijzonder hoogleraar Taalvariatie aan de Universiteit van Amsterdam legde hij zich ook toe op meertaligheid. Zijn specialisatie is de syntaxis van het Nederlands. Hij was onder meer co-auteur van de Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten.

 

Rita Temmerman (Vrije Universiteit Brussel)

Meertaligheid en ‘transtaligheid’ in Brussel

Voor de Belgische politiek is Brussel een tweetalige stad. Het Nederlands is naast het Frans een officiële taal in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Maar Brussel is ook de hoofdstad van de Europese Unie die 24 officiële talen hanteert. Brussel heeft in de afgelopen decennia bovendien een grote toestroom gekend van anderstaligen die er om uiteenlopende redenen zijn komen wonen. Meertaligheid is in Brussel een gelaagd fenomeen.

Zorgt de talige achtergrond van de nieuwe Brusselaars soms voor communicatieproblemen? Welke initiatieven worden er ondernomen door welke instanties om communicatie zo kwaliteitsvol mogelijk te maken? Waar liggen de uitdagingen voor een stad met zoveel talen? Wat zijn de troeven? Hoe krijg je als taalkundige en onderzoeker vat op deze vraagstellingen?

Na een situatieschets zullen we in onze uiteenzetting specifiek ingaan op ‘transtaligheid’ (Engels: translanguaging (Garcia & Wei 2014)) die deel uitmaakt van de Brusselse linguïstische realiteit. Met voorbeelden van onderzoek rond transtaligheid in Brussel zullen we de stelling kunnen staven dat meertaligheid en transtaligheid een creatieve en cognitieve meerwaarde hebben voor de moderne Brusselaar en voor de gemeenschap(pen) waarvan hij of zij deel uitmaakt.

García, Ofélia and Li Wei (2014). Translanguaging: Language, Bilingualism and Education

New York, NY: Palgrave MacMillan

Biografie

 

Rita Temmerman is als hoogleraar vertaalwetenschap en terminologiestudie actief bij de Vrije Universiteit Brussel. 

Binnen de onderzoeksgroep BIAL (Brussels Institute for Applied Linguistics) bestudeert ze de dynamiek van taal als cognitief en communicatief instrument in een meertalige omgeving. In recente jaren heeft ze vooral gepubliceerd over de rol van neologismen in vaktalen en over de vertaalbaarheid van neologismen in moleculaire biologie en binnen de Europese instanties.

Haar onderzoeksinteresse gaat ook specifiek naar Brussel als meertalige stad met de VUB als internationale campus.  Deze omgeving is een levend laboratorium waar ze in samenwerking met studenten toegepaste taalkunde ‘transtaligheid’ observeert en veldwerk opzet in meerdere niches van de Brusselse samenleving.

Recente publicaties

Van Obberghen, M., Temmerman, R., & Kerremans, K. (2018). Simultaneous Interpretation of Neosemanticisms in EU Press Conferences: Translations of «Hotspot», «Relocation» and «Resettlement» into Dutch and German. CLINA: An Interdisciplinary Journal of Translation, Interpreting and Intercultural Communication, 4(1), 59-81.

Literatuur en cultuur

50 tinten zwart. De Vlaamse Beweging, de Vlaamse literatuur en Congo –

Geert Buelens – Universiteit Utrecht

De heropening van het Afrika Museum in Tervuren en de uitzending eind 2018 van de documentaire reeks 'Kinderen van de kolonie' op de Vlaamse televisiezender Canvas hebben, bijna zestig jaar na de onafhankelijkheid van Congo, eindelijk in Vlaanderen een debat op gang gebracht over de (de)kolonisatie. Toen een VN-commissie begin februari van dit jaar Belgie opriep om zijn excuses aan te bieden en ook de omgang met het koloniale verleden ingrijpend te veranderen, reageerden politici niet alleen maar afwijzend. De meest opvallende reactie kwam van de belangrijkste Vlaamse politicus, de Vlaams-nationalistische N-VA partijvoorzitter en burgemeester van Antwerpen Bart De Wever: excuses waren volgens hem zeker mogelijk, maar die hoorden dan van het koningshuis te komen. De Wever leek hiermee van de kolonisatie een "Belgische" en dus "niet-Vlaamse" aangelegenheid te maken - conform een lange traditie in de Vlaamse geschiedenis waarin de Vlaming zich binnen Belgie gekoloniseerd wist en (bijgevolg) niet zelf ook verantwoordelijk gesteld kon worden voor het aan de Belgische staat (en aanvankelijk enkel aan de vorst Leopold II) toegeschreven koloniale project in Afrika. In mijn lezing probeer ik - op het breukvlak van nationalismestudie, postkoloniale studie, Nederlandse letterkunde, cultuurgeschiedenis en antropologie - een beeld te schetsen van de manier waarop binnen de Vlaamse Beweging en de Vlaamse literatuur over Congo is gedacht en geschreven. Onder meer het werk van Cyriel Buysse, August Vermeylen, Willem Elsschot, Sylva de Jonghe, Gaston Burssens, Tone Brulin, Jef Geeraerts, Paul Brondeel, Mireille Cottenjé, Hugo Claus, David Van Reybrouck, Erwin Mortier, Elvis Peeters, Koen Peeters en Bambi Ceuppens zal hierbij (noodgedwongen kort) de revue passeren.

Biografie

Geert Buelens is hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht en gasthoogleraar in Stellenbosch. Hij studeerde Engels en Nederlands in Brussel en Antwerpen en promoveerde in Antwerpen op het meermaals bekroonde en herdrukte Van Ostaijen tot heden. Zijn invloed op de Vlaamse poezie (2001). Hij publiceerde voorts onder meer Oneigenlijk gebruik. Over de betekenis van poezie (2008), het ook in het Duits, Engels en Servisch verschenen Europa Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog (2008) en, vorig jaar, een vuistdikke poging tot 'global history' De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis. Hij publiceerde ook drie dichtbundels (Het is; Verzeker u & Thuis) en tientallen essays en opiniestukken voor Belgische en Nederlandse kranten en tijdschriften. Op het laatste IVN-congres bepleitte hij de verdere ontwikkeling van een 'Vergelijkende Neerlandistiek', te vinden op:
https://www.platformleest.org/lezing/naar-een-vergelijkende-neerlandistiek/

 

 

Tolkwetenschap

 

 

Erik Hertog (KULeuven – campus Antwerpen)

Zoals de roeier…een status questionis van het sociaal tolken

Wie even nadenkt over tolken beseft al gauw dat er op elk moment van de dag ontzettend veel meer getolkt wordt in juridische, sociale en medische situaties dan in conferenties of internationale instellingen. ‘Gemeenschapstolken’ – om even deze vertaling van de overkoepeling van het brede veld van ‘community interpreting’ of ‘public services interpreting’ te gebruiken – verdient daarom onze aandacht, zeker wat betreft de uitdagingen aan de huidige beroepspraktijk en het wetenschappelijk onderzoek.

Toch mogen we niet vergeten waar we vandaan komen, wat we onderweg in de vorming en ontplooiing van deze discipline hebben geleerd. Zeker jongere collega’s kunnen baat hebben bij enig inzicht in de geschiedenis van dit domein en hoe het zich heeft ontwikkeld. Niet dat we ons moeten zien als dwergen op de schouders van reuzen, maar het kritisch toetsen van de eigen reflectie aan de verworvenheden van het verleden lijkt me noodzakelijk en nuttig.

Daarom wil ik in mijn bijdrage tot het colloquium enerzijds een overzicht geven van de ontwikkeling van het ‘Gemeenschapstolken’ en anderzijds de hoofdlijnen schetsen van het onderzoek en de uitdagingen op dit gebied tegenwoordig.  Op die manier wil de bijdrage tevens het project PACI  -Professional and Accessible Community Interpreting – een kader bieden en dynamisch ondersteunen.

Biografie

Erik Hertog is emeritus hoogleraar aan de Lessius Hogeschool (nu KU Leuven, Campus Antwerpen). Hij doceerde Culturele Studies van de Engelstalige wereld, Juridisch Vertalen Engels –Nederlands, Tolkwetenschap en Conferentietolken Engels-Nederlands. Op het gebied van juridisch tolken heeft hij vele projecten geleid voor de EU Commissie, o.a. als rapporteur van het Reflection Forum on Multilingualism and Interpreter Training voor de EU Commissaris voor Meertaligheid en als coördinator van het project dat heeft geleid tot de oprichting van EULITA. Voor de tolken bij de Antwerpse rechtbanken en politie werd de opleiding Gerechtsvertalen en Tolken opgericht en hij werkte ook als onderzoeker voor het Nederlandse Ministerie van Justitie. Hij was examinator in de opleiding Sociaal Tolken van de Vlaamse Gemeenschap en voorzitter van de Raad van Bestuur van Babel , de (vroegere) Vlaamse telefoontolkendienst. Voor de cel Interculturele Communicatie van het Ministerie van Volksgezondheid verzorgde hij de opleiding van de medische tolken en videotolken. Hij is de auteur van vele publicaties en rapporten op het gebied van het ‘gemeenschapstolken’.

 
 
 
 

Vertalen en Taalkunde

Cor van Bree

Fries aan de Zuiderzeekust

Sleutelwoorden:  Zuiderzeekust, fries substraat

Voor het Westfries en het Gronings wordt op goede gronden een fries substraat aangenomen. Dat dit ook geldt voor het zogeheten Stadsfries, het fries-hollandse mengdialect van een aantal friese steden, ligt voor de hand. Hoe ver reikt dit fries substraat? Voor zover de verschijnselen in kwestie erg zuidelijk, tot in Vlaanderen, voorkomen, is het beter om aan een dieper, namelijk ingweoons substraat te denken. Voor de kusten van de oude Zuiderzee (het tegenwoordige IJsselmeer) kan een specifiek fries substraat heel goed verwacht worden: een zee, en zeker een binnenzee, werkt verbindend; daar is geen brug voor nodig. Geven niet alleen de dialecten aan de westkust maar ook die aan de oostkust (die we flevisch zouden kunnen noemen), in hun woordenschat en grammatica, er ook zelf aanleiding toe? De bedoeling van het referaat om dit, vooral aan de hand van de werkwoordsflexie, na te gaan.

 

Biografie

Cor van Bree (geb. 30 juni 1932) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit Leiden. Aan deze universiteit werkte hij ook als assistent, later als wetenschappelijk (hoofd)medewerker en nog later als hoogleraar. Zijn promotie ging over syntactische verschillen tussen oost en west binnen het Nederlandse taalgebied. Behalve op de dialectsyntaxis had zijn onderzoek betrekking op de wederzijdse verhouding en beïnvloeding van dialect en standaardtaal. Hij publiceerde diverse handboeken (of werkte daaraan mee) over de historische taalkunde van het Nederlands of in het algemeen.

 

Zuzanna Czerwonka - Wajda

Bruggen bouwen tussen perceptie en articulatie? Auditieve waarneming van de Nederlandse [e] en [ɛ͜i] door Poolse moedertaalsprekers en de invloed ervan op de articulatorische reproductie.

Sleutelwoorden: Fonetiek, perceptie, articulatie, NVT, uitspraaktraining

Het probleem de brug tussen perceptie en articulatie dat in deze bijdrage centraal staat, wordt aangesproken naar aanleiding van mijn presentatie tijdens de DoHa-bijeenkomst in Praag (maart 2018) over de articulatorische splitsing van de Nederlandse gespannen klinkers (o.a. [e]) in een combinatie van Poolse klinkers (bv. [ɛ] en [j]) in de uitspraak van Poolstalige studenten Nederlands.  Een van de afsluitende vragen die toen tot stand kwam, was welke rol de verkeerde perceptie van de de Nederlandse gespannen klinkers kan spelen in de articulatorische reproductie ervan.

In het fonetische systeem van het Pools ontbreekt  zowel de [e] alsook de [ɛ͜i]. In de uitspraak van Poolstalige studenten Nederlands vallen beide Nederlandse klanken vaak samen. Ze worden als een combinatie van [ɛ] en [j] uitgesproken (waardoor bv. de onderscheiding van praesens- en imperfectumvormen zoals ik krijg en ik kreeg niet mogelijk is). In mijn bijdrage wil ik dieper op de vraag ingaan, in hoeverre de articulatorische problemen van Poolstaligen met [e] en [ɛ͜i] toe te schrijven zijn aan gebrekkige perceptie van (een akoestisch verschil tussen) de beide klanken.

Om de vraag te kunnen beantwoorden, worden moedertaalsprekers van het Pools (voornamelijk studenten) met verschillend niveau van het Nederlands onderzocht. In het kader van een discriminatie-experiment worden ze geconfronteerd met een reeks [e]- en [ɛ͜i]-stimuli die met behulp van het Praat-programma zijn gemanipuleerd om o.a. het verschill in de uitspraak van [e] en [ɛ͜i] in Nederland en in Vlaanderen weer te geven. Het valt te verwachten dat de proefpersonen in het algemeen slecht gaan presteren  in het discrimineren van beide klanken, met de laagste scores in het onderscheiden van de Nederlandse [e] die duidelijk gediftongeerd is, en de diftong [ɛ͜i].

 

Biografie

Zuzanna Czerwonka-Wajda (1985) promoveerde aan de Universiteit van Wrocław op het proefschrift ‘De vocaalsystemen van het Pools, Duits en Nederlands – vergelijkende analyse en didactische implicaties’. Haar onderzoek richt zich vooral op de didactiek van de uitspraak van het Nederlands, vergelijkende taalkunde (Nederlands - Duits - Engels) en multilingualisme van volwassenen. Op dit moment is ze haar habilitatieonderzoek aan het uitwerken dat over auditieve waarneming van Nederlandse klanken zal gaan.

 

Jan Fabry

Esperanto als Brugtaal

Sleutelwoorden: Universele taal, Esperanto, artificieel, Zamenhof, Engels, Frans

In navolging van More, die in 1516 met zijn meesterwerk Utopia een aanzet gaf tot een universele taal, hebben een aantal geleerden geprobeerd dit in de praktijk te brengen en zo de communicatie met ‘de ander’ te vergemakkelijken binnen een welbepaald kader. Deze pogingen liepen echter spaak en het geloof in een universele taal verdween naar de achtergrond, onder meer doordat in de XVIIIe eeuw het Frans steeds nadrukkelijker werd gezien als ‘de’ taal van Europa. Op het einde van de XIXe eeuw echter, deed een Poolse Jood genaamd Ludwig Lezjer Zamenhof, een noemenswaardige poging. Zijn doel was eenduidig: de communicatie tussen burgers van verschillende landen, uiteenlopende talen en diverse achtergronden te vereenvoudigen, door het bedenken van een a posteriori taal, Esperanto, die eenieder met elkaar kan verenigen.

De voordracht zal niet enkel gaan over het historische perspectief van het mislukken van de reikende hand die Zamenhof ‘de ander’ aanbood, maar tevens over de huidige aanpak van het vraagstuk van de universele taal en de hulpmiddelen die vanuit het verleden worden aangeboden. Inderdaad, daar waar bij het ingaan van de XXe eeuw de taalkundige term ‘artificieel’ eerder op hoongelach stuitte, is het momenteel zonde vast te stellen dat, in een tijd waarin wetenschappers artificiële intelligentie omarmen, de brug naar zo’n gekunstelde taal nog steeds in de steigers staat. Daarenboven zou zulk een systeem een perfect antwoord kunnen vormen op de Engelse taal, die vandaag de status heeft universeel te zijn. Want, de taalkundige en tevens culturele hegemonie van deze taal, brengt niet voor iedereen enkel voordelen met zich mee. Daarom hebben befaamde linguïsten, zoals Umberto Eco en André Martinet, voor een verderzetting en zelfs intensivering van het gebruik van Esperanto gepleit.

Biografie

Mgr. Jan Fabry is lector bij de leerstoel Nederlandse Taal- en Letterkunde, Faculteit Humane Wetenschappen van de Johannes Paulus II Katholieke Universiteit Lublin.

Contact: Katedra Literatury i Języka Niderlandzkiego IFA, Katolicki Uniwersytet Lubelski Jana Pawła II, al. Racławickie 14, 20-950 Lublin. E-mail: janfabry91(at)gmail.com.
 

Michał Gaska

Medische vaktermen in het audiovisuele vertalen naar aanleiding van de Nederlandse, Duitse en Poolse versies van de Britse tv-serie Call the Midwife

Sleutelwoorden: medische vaktermen, audiovisuele vertalen, tv-serie

Het audiovisuele vertalen is een relatief nieuw onderzoeksgebied in de vertaalwetenschap en wekt een steeds grotere interesse bij vertaalwetenschappers. Het is een bijzondere manier van vertalen, omdat een belangrijke factor in overweging genomen moet worden: het beeld. Het audiovisuele vertalen vormt steeds vaker een onderzoeksonderwerp, maar toch zijn er aspecten daarvan die nog bijzondere aandacht behoeven, zoals het vertalen van vaktermen die in films en tv-series voorkomen.

Op de televisiemarkt zijn er veel medische tv-series die een grote populariteit genieten. Een van die series – "Call the midwife" – is een filmadaptatie van de gelijknamige roman die is geschreven door Jeniffer Worth. Zowel de roman als ook de tv-serie laten het leven van een jonge vrouw zien die tijdens de late jaren 50 van de 20ste eeuw in de arme Londense wijk East End als vroedvrouw haar geld verdiende.

In de voordracht worden vertaaltechnieken gepresenteerd waarmee medische vaktermen in deze Britse tv-serie naar het Nederlands, het Duits en het Pools werden vertaald. Omdat de vakwoordenschat een andere functie vervult in niet-vakkundige teksten, stellen ze niet alleen de vakkennis van de vertaler in het bepaalde vakgebied op de proef, maar ook zijn vertaalcompetentie. Dit volgt uit het feit dat er van de vertaler verwacht wordt dat de doeltekst zowel vakkundig correct is als ook toegankelijk voor de ontvanger, namelijk de toeschouwer die vaak niet over deze vakkennis beschikt.

De analyse wordt op basis van de ondertiteling in de vermelde taalversies uitgevoerd. Daarbij wordt er rekening gehouden met de drie niveaus van vakkundige communicatie volgens de indeling van Lippert (1978: 93; vgl. Roelcke 2014: 163v.). Aan de hand van de analyse zal de vraag kunnen worden beantwoord of er bepaalde tendensen in verband met de gebruikte vertaaltechnieken te observeren zijn.

 

Bibliografie

Lippert, Herbert (1978). „Fachsprache Medizin”. In: Henne, Hans et al. [red.] Interdisziplinäres Deutsches Wörterbuch in der Diskussion, Düsseldorf, p. 86-101.

Roelcke, Thorsten (2014). „Zur Gliederung von Fachsprache und Fachkommunikation“. In: Fachsprache 37 (3-4), p. 154-178.

 

Biografie

Michał Gąska

Leerstoel voor Vertaalwetenschap en Glottodidactiek

Instituut voor Germaanse Filologie

Universiteit van Wrocław
michal.gaska(at)uwr.edu.pl

 

Kirsten de Gelder

Project: Dwalen door de Stad

Met wie kunnen onze studenten hun Nederlands oefenen? Hoe kunnen ze het Nederlands gebruiken in hun dagelijkse leven? Met het project Dwalen door de Stad vertellen studenten in het Nederlands over hun favoriete plekken in hun eigen stad. Voor een eigen website schrijven ze over hun favoriete musea, parken, cafés en mystieke plekken, maar ook over hun eigen tradities, literatuur en poëzie. Ze maken bovendien video’s en nemen daadwerkelijk Nederlandstalige gasten mee op hun dwaaltocht door hun eigen stad.

Het project is in 2014 van start gegaan in Kiev. Om de buitenwereld mooie en positieve verhalen te vertellen over Oekraïne, om hun schrijfvaardigheid te verbeteren en om het Nederlands in te zetten voor thema’s die dicht bij de studenten liggen: thema’s uit hun eigen belevingswereld. Om een brug te slaan tussen de neerlandistiek thuis en in de lage landen. Sinds 2018 is er bovendien een nieuwe editie: Dwalen door de stad Jakarta.

Met het project verbeteren studenten met name hun schrijf- en spreekvaardigheid. De teksten worden in verschillende schrijfrondes geschreven en verbeterd. Ook oefenen ze hun spreekvaardigheid en werken ze aan hun presentatievaardigheden in het Nederlands. Daarbij komt ook het verschil tussen schrijf- en spreektaal aan bod. De rondleidingen zijn niet alleen uitermate geschikt voor het oefenen met spreken in het Nederlands, maar het is de uitgelezen mogelijkheid om in contact te komen met moedertaalsprekers, en elkaar en elkaars cultuur te leren kennen. En dat allemaal in het Nederlands.

Dwaal met de studenten mee en kijk eens op www.dwalendoordestad.wordpress.com  en www.dwalendoordestadjakarta.wordpress.com.  

Biografie

Kirsten de Gelder (1985) reist als neerlandica de hele wereld over. Ze deed de lerarenopleiding Nederlands (met als specialisatie NT2) in Nijmegen en studeerde comparatieve neerlandistiek aan de Universiteit van Amsterdam en de Freie Universität Berlin. Ze gaf onder andere les in Maleisië, Indonesië, Duitsland, Rusland, Wit-Rusland, Oekraïne, Letland, Hongarije, Tsjechië en Italië.
 

Camiel Hamans

Een woordsoort als brug

Sleutelwoorden:  Blends, portmanteau, woordvorming, gelede en ongelede woorden

Woordvorming geldt als een regelmatig proces, behalve in het geval van blends of portmanteaus, woorden die samengesteld zijn uit delen van andere woorden, zoals:

(1)       brusjes                        < broers en zusjes, krommunicatie     < krom en communicatie

conculega                    < concurrent en collega, vechtscheiding       < vechten en echtscheiding

Op het eerste gezicht is het volstrekt onduidelijk hoe dit woordvormingsproces verloopt.

In brusjes is het begincluster br van broers gecombineerd met bijna het volledige tweede woord zusjes. In krommunicatie is de eerste lettergreep van communicatie vervangen door een nieuw woord. In conculega is het proces weer anders verlopen: concu van concurrent, dus de eerste twee lettergrepen, is gecombineerd met de laatste twee lettergrepen van collega. In vechtscheiding, tenslotte, is alleen de beginconsonant van vechten aan echtscheiding toegevoegd.

Wat verder opvalt is dat in vechtscheiding en krommunicatie de samenstellende woorden een gelijkluidend segment delen: echt en om.

In deze bijdrage zal getoond worden dat blends geenszins zo onregelmatig gevormd worden als op het eerste gezicht lijkt. Blends blijken, net als samenstellingen, over een hoofd te beschikken. Doorgaans is dit het rechterdeel. Dit deel bepaalt net als bij samenstellingen het geslacht zoals blijkt uit (2):

(2)       de student + het hotel             →  het stutel

Anderzijds volgt de klemtoontoekenning van blends niet het patroon van samenstellingen:

(3)       concurrént + colléga   → *cónculega, (4)      concurrént + colléga   →  conculéga

Het hoofd blijkt niet alleen verantwoordelijk voor het klemtoonpatroon van de uiteindelijke blend maar ook van de syllabische structuur.

Als we ons tenslotte concentreren op monosyllabische blends dan blijkt dat deze groep woorden gedeeltelijk ‘gemotiveerd’ genoemd kan worden ofwel een tussencategorie vormt tussen gelede en ongelede woorden. Het Nederlands kent weinig voorbeelden van monosyllabische blends, het Engels des te meer:

(5)       smog   < smoke + fog, spork  < spoon  + fork, brunch          < breakfast + lunch

Enerzijds lijken smog, sport en brunch ongeleed. Ze kunnen immers niet verdeeld worden in samenstellende morfemen. Anderzijds zijn ze terug te voeren op samenstellende woorden en zijn dus wel degelijk ‘gemotiveerd’. Ergo: ze vormen een brug tussen twee onderscheiden categorieën.

 

Biografie

Camiel Hamans (1948), taalkundige. Associated Secretary-General van het Comité International Permanent des Linguistes, CIPL. Was verbonden aan de Universiteiten van Amsterdam, Leiden en Poznań. Was ook werkzaam als journalist in leidinggevende functies, KRO-radio, Dagblad De Stem en Brabant Cultureel. Was daarnaast meer dan tien jaar secretaris-generaal van de Nederlandse sociaaldemocraten, Partij van der Arbeid, in het Europees Parlement (Brussel en Straatsburg). Heeft gastcolleges verzorgd in onder meer België, Cyprus, Duitsland, Frankrijk, Georgië, Nederland, Noorwegen, Polen, Slowakije, Tsjechië en de Verenigde Staten. Publiceert over morfologie en fonologie, taalpolitiek, geschiedenis van de taalwetenschap, taalverandering maar ook over Europese integratie en veiligheidspolitiek en opera.    

 

Pim van der Horst

Fansubbing in internationale context: een vergelijkend onderzoek naar domesticerende en exotiserende vertaalstrategieën van Nederlandse en Tsjechische niet-professionele ondertitelaars van de televisieserie Breaking Bad

Als gevolg van de toegenomen vraag naar films en televisieseries in de laatste decennia is er in het vakgebied van de vertaalwetenschap steeds meer aandacht gekomen voor audiovisueel vertalen (AVT), een overkoepelende term die verwijst naar vormen van vertalen waarbij beeld en geluid een grote rol spelen. Binnen AVT is ondertitelen uitgegroeid tot een van de meest vruchtbare onderzoeksgebieden en vanwege de opkomst van het zogenaamde internet 2.0, waarbij gebruikers door nieuwe digitale technieken eenvoudiger met elkaar in contact kunnen komen, wordt de laatste jaren steeds meer aandacht besteed aan ondertitels die niet door vertaalprofessionals zijn vervaardigd. Fans van series en films kunnen dankzij gratis beschikbare ondertitelsoftware en de communicatiemogelijkheden van het moderne internet zonder problemen onafhankelijk van de officiële distributiekanalen ondertitels aanbieden en dit wordt dan ook zeer veel gedaan. In de meeste gevallen vragen deze fans geen vergoeding voor hun vertalingen en hebben ze geen formele vertaalopleiding gevolgd. Dit heeft geleid tot spanning tussen professionele en niet-professionele ondertitelaars, waarbij vaak wordt gewezen op vooroordelen zoals verschillen in kwaliteit (“amateurs zijn slechter”) en vertaalopvattingen (“amateurs blijven als fans van de film/serie dichter bij de brontekst”).

In eerder onderzoek naar ondertitels door niet-professionele vertalers is voornamelijk aandacht besteed aan de vergelijking tussen professionele en niet-professionele ondertitels, waarbij vooral is gekeken naar de gekozen vertaalstrategieën, de kwaliteit van de vertaling en de bredere sociale context waarin de vertaling plaatsvindt. In dit paper wordt voortgebouwd op de inzichten uit bovenstaande onderzoeken, maar wordt gekozen voor een andere invalshoek door een onderlinge vergelijking te maken tussen de vertalingen van niet-professionele ondertitelaars in Nederland en Tsjechië. Aan de hand van enkele afleveringen uit het eerste seizoen van de bekende televisieserie Breaking Bad zal worden nagegaan of Tsjechische en Nederlandse niet-professionele ondertitelaars dezelfde vertaalstrategieën hebben toegepast. Dit wordt inzichtelijk gemaakt door op basis van het theoretische vertaalwetenschappelijke debat over domesticerend en exotiserend vertalen te kijken naar de manier waarop deze “amateurs” zijn omgegaan met lastig te vertalen elementen zoals culturele referenties en informeel taalgebruik. Op deze manier wordt nagegaan of er verschillen bestaan tussen niet-professionele ondertitelaars in Nederland en Tsjechië, hetgeen kan leiden tot nuttige nieuwe inzichten in de groep van niet-professionele ondertitelaars als geheel.

Biografie

Drs. Pim van der Horst is ruim tien jaar actief als freelance vertaler en is als promovendus verbonden aan de Univerzita Palackého v Olomouci (UPOL), waar hij in het verleden colleges vertalen en vertaalwetenschap heeft gegeven. In zijn onderzoek richt hij zich voornamelijk op audiovisueel vertalen, met speciale aandacht voor ondertitelen in het algemeen en het fenomeen fansubbing in het bijzonder. Daarnaast houdt hij zich bezig met pragmatiek, voornamelijk ongepast taalgebruik, en sociolinguïstiek.

 

Jacek Karpiński

Het belang van goed CRM voor de vluchtveiligheid

Het doel van de lezing is te bewijzen dat goed CRM (Crew Resource Management) en gelukte communicatie tussen cabinebemanning, piloten en passagiers noodzakkelijk is om de veiligheid van alle vluchten te garanderen.

De CRM-scholing vormt altijd een vast bestanddeel van initial- en recurentcurssusen voor stewards/stewardessen en piloten van de meeste luchtvaartmaatschappijen. Iedereen die aan boord van een vliegtuig werkt, moet altijd op de hoogte zijn van alle procedures, heldere communicatie en taakmanagement. Gelukte communicatie, ook onder druk, goede taakverdeling en gedeeld leiderschap zijn cruciaal. Hoe moet je dus met andere bemanningsleden communiceren? Wie heeft altijd het laatste woord? Wat mag wel en wat mag absoluut niet?

Op basis van enkele case studies wordt getoond hoe het gebrek van CRM de vluchtveiligheid kan beinvloeden. Er worden enkele communicatieproblemen aan boord besproken die tot vliegtuigrampen hebben geleid en een antwoord op de vraag gezocht wat er gedaan werd (en gedaan moet worden) om vergelijkbare situaties in de toekomst te voorkomen.

Biografie

Dr. Jacek Karpiński is verbonden aan de Erasmus Leerstoel voor Nederlandse Filologie aan de Universiteit Wrocław (Polen). In 2010 verdedigde hij zijn proefschrift ‘Syntaxis van de nominale woordgroepen in Nederlandse en Poolse formulieren’. Zijn onderzoek richt zich nu op de vaktaal (vooral luchtvaarttaal) en vaktalige communicatie (vooral communicatie tussen de bemanning en passagiers), alsook op het NVT-onderwijs. Hij verzorgt colleges algemene taalkunde, consecutief en simultaan tolken, didactiek van het Nederlands als vreemde taal, alsook taalverwerving Nederlands. Daarnaast is hij ook lid van Aviation Communication Research Centre (ACRC) en mederedacteur van het tijdschrift Neerlandica Wratislaviensia.

 


Martin Konvička

Vorm volgt niet altijd functie. Een kritiek op de conceptuele eenheid van vorm en functie in grammaticalisatie-onderzoek

Sleutelwoorden: Grammatica, grammaticalisatie, geschiedenis van de taalwetenschap

In mijn lezing bespreek ik het concept van grammaticaliteitsgraden, dat vooral binnen het grammaticalisatie-onderzoek gebruikt wordt. Uit de definitie van grammaticalisatie als de ontwikkeling “from a lexical to grammatical or from a less grammatical to a more grammatical status” (Kuryłowicz 1965: 69) volgt immers de idee dat een uitdrukking “grammaticaler” dan een andere kan zijn:

  1. lexicaal element > grammaticaal element > grammaticaler element

 

De vorm van de uitdrukking bepaalt het functionele verschil in functie, namelijk een functie als een lexicaal of een grammaticaal element, en het verschil tussen de verschillende graden van grammaticale uitdrukkingen (2). Op de stijgende reductie van vorm (vrij morfeem, cliticum of affix) volgt, zo de grammaticalisatie-theorie, een stijgende grammaticale functie (lexicaal, grammaticaal, grammaticaler). Zo wordt een cliticum als minder grammaticaal dan een affix geanalyseerd omdat het cliticum formeel minder gereduceerd is.

  1. lexicaal woord > vrij grammaticaal woord > cliticum > affix

 

Afgeleid van het concept van grammaticaliteitsgraden zijn verschillende concepten in omloop, onder andere lexicalisatie (Kuryłowicz 1965), secondaire grammaticalisatie (Traugott 2002), degrammaticalisatie (Norde 2009) en laterale verschuivingen (Joseph 2006). Het voorstel dat de vorm de functie van een uitdrukking bepaalt, geldt echter steeds als enige criterium, en kan dus als centraal voor de grammaticalisatietheorieën gezien worden. Toch wordt grammaticaliteit op zich niet preciezer gedefinieerd zodat Nørgård-Sørensen, Heltoft & Schøsler (2011:21) terecht schrijven dat “no one – to our knowledge – has attempted to specify what it means to be more or less grammatical.” Boye en Harder (2012: 33) bekritiseren het concept van grammaticaliteitsgraden zelfs als “theoretically hollow”. Precies op dit punt biedt deze presentatie een theoretische uitwerking aan.

De conceptuele verbinding van vorm en functie, geïllustreerd door (1) en (2), leidt verder tot een aantal vragen en problemen. Wat precies is er grammaticaler aan een synthetische vorm werkte vergeleken met een analytische constructie heb gewerkt? Willen we bij taalvergelijkend onderzoek talen met meer morfologie daadwerkelijk als meer grammaticaal dan isolerende talen zien? Ik zal mijn lezing met het voorstel concluderen om de eenheid van vorm en functie in ons denken over grammatica op te heffen.

Biografie

Martin Konvička is wetenschappelijk medewerker bij de vakgroep Engels aan de Freie Universität Berlin waar hij ook promoveert. Hij heeft aan de Palacký-Universiteit in Olomouc Nederlandse en Duitse taal- en literatuurwetenschap gestudeerd en daarna een masterdiploma Algemene Taalwetenschap aan de Freie Universität Berlin behaald. Zijn specialisatie ligt op het gebied van de historische taalwetenschap van de Germaanse talen en de geschiedenis van taalwetenschappelijke ideeën.

 

Marta Kostelecká

Effe nog eens zeggen. De weggelaten klanken in het Nederlands – de afgebroken bruggen voor een Tsjech?

Sleutelwoorden: reductie, Nederlands, Tsjechisch, NVT, klinkers, medeklinkers, fonologische processen

Het Tsjechisch en het Nederlands verschillen van elkaar ook op het gebied van reductieprocessen. Terwijl de reductieprocessen in het Tsjechisch als een “vreemd accent” of “verkeerd Tsjechisch” worden aangeduid, o.a. in Palková (1994), zijn deze een veel voorkomend fenomeen in het gesproken Nederlands.

Het gesproken Nederlands kan daardoor soms moeilijk verstaanbaar zijn voor een Tsjech. Dit komt door het feit dat er veel reductie van klanken voorkomt. De reductie kan enerzijds op het niveau van weggelaten woordeinden zijn of weggelaten klinkers in onbeklemtoonde syllabes. Dit soort reductie is voor een NVT-spreker van het Nederlands nog in vele gevallen te volgen. Daarnaast kan, zoals Ernestus et. al. (2016) het noemt, extreme reductie voorkomen waarbij de woorden en zinnen aanzienlijk worden gereduceerd. In dit soort gevallen zorgt dit fonologisch proces voor moeilijkheden bij de perceptie van zulke uitingen bij de NVT-spreker van het Nederlands. In dit onderzoek wil ik graag nagaan hoe de A2 en B2 Tsjechische studenten van het Nederlands met de reductie in het Nederlands omgaan en in hoeverre ze in staat zijn om de gereduceerde uitingen te begrijpen. Welke soorten reductie zijn het meest problematisch en op welk niveau zijn de NVT-studenten in staat om de gereduceerde uitingen juist te ontcijferen?

Biografie

Marta Kostelecká werkt als universitair docente en sectiehoofd aan de Masaryk Universiteit te Brno. Haar onderzoeksgebied is contrastieve fonetiek van het Tsjechisch en het Nederlands. Zij is gepromoveerd op de contrastieve beschrijving van de verzorgde uitspraak van het Nederlands en het Tsjechisch vanuit het perspectief van de Tsjechische spreker van het Nederlands. Op dit moment begint ze aan een onderzoek van de verstaanbaarheid van het Tsjechisch Nederlands voor de Nederlandstalige moedertaalsprekers waaruit het thema van de bijdrage een onderdeel vormt. marta.kostelecka(at)mail.com

 

 

Agata Kowalska – Szubert

Achtervoegsels als ezelsbruggetjes?

In de woordenschatdidactiek wordt er naar mijn aanvoelen erg weinig aandacht besteed aan de structuur van woorden. Men leert woorden als afzonderlijke taaleenheden, terwijl er zelden bij wordt stilgestaan dat woorden met andere verwant kunnen zijn (niet veel mensen relateren bijvoorbeeld uittreksel aan trekken). En al helemaal geen aandacht wordt besteed aan de gebonden morfemen, die zelfstandig geen recht van bestaan hebben en toch een wezenlijke bijdrage leveren aan de betekenis van de afleidingen die ze helpen vormen. Denk aan vrijheid bijvoorbeeld; aan een bijvoeglijk naamwoord kun je de suffix –heid toevoegen, en dan krijg je een zelfstandig naamwoord met een bepaalde algemene en abstracte betekenis. Vrij bestaat zelfstandig in het Nederlands, terwijl heid op zich niets betekent. Wel beïnvloedt heid duidelijk zowel de woordsoort als de betekenis van de desbetreffende afleiding.

Mijn bijdrage wil de toehoorders op de bijzondere eigenschappen van achtervoegsels attent maken. Aan de hand van enkele voorbeelden wil ik laten zien dat er achter achtervoegsels vaak een bepaalde semantische waarde schuilgaat, die potentieel kan worden gebruikt bij het creëren van woorden die nog niet bestaan. Wanneer de taalleerder zich van deze semantische waarde bewust is, kan hij ook eenvoudiger nieuwe woorden leren en/of erop anticiperen.

 

Biografie

Dr hab. Agata Kowalska-Szubert heeft een internationale levensloop, al is ze sinds haar studietijd aan de Universiteit van Wrocław verbonden: ze is in Leiden gepromoveerd en in Olomouc gehabiliteerd. Naast haar universitaire taken is ze ook beëdigde vertaalster/tolk voor het Duits en Nederlands. Haar dissertatie De kool en de geit wordt vaak geciteerd en zette de toon voor haar verdere werk dat vooral gericht is op onderzoek naar ontleningen uit het Nederlands in het Pools. Zij nam deel aan een serie lexicale en fraseologische projecten.

agata.kowalska-szubert(at)uwr.edu.pl

 


Kateřína Křížová

Nederlandse verbonominale constructies in de context van het sociaal tolken en vertalen

Sleutelwoorden: verbonominale constructies, functiewerkwoorden, sociaal tolken, sociaal vertalen

Hoewel de verbonominale constructies (bijv. een bezoek brengen, in gebruik nemen, ter beschikking stellen) in het Nederlands vaak worden gebruikt, behoren ze tot minder onderzochte taalverschijnselen (verg. Hinderdael 1980, 1985, 1987; Klimaszewska 1983, Devos 2005, Leclercq 2007).

In de bijdrage worden Nederlandse verbonominale constructies eerst gekarakteriseerd en geclassificeerd. Daarna worden de basiscomponenten van deze constructies beschreven  en geïllustreerd aan de hand van voorbeelden uit het Combinatiewoordenboek (de Kleijn 2006) en het elektronische lexicon DuELME (http://duelme.clarin.inl.nl) dat Nederlandse meerwoordexpressies bevat. Vervolgens gaat onze analyse op zoek naar het gebruik van Nederlandse verbonominale constructies in de context van het sociaal tol

ken en vertalen. Er wordt onder andere nagegaan welke soorten verbonominale constructies hier het meest voorkomen.

Biografie

Mgr. Kateřina Křížová, Ph.D., is universitair hoofddocent taalkunde bij de vakgroep neerlandistiek in Olomouc. Zij studeerde Tsjechisch, Duits en Nederlands bij de Univerzita Palackého in Olomouc. Na haar studie was zij als lectrice verantwoordelijk voor het onderwijs Tsjechisch aan de Universiteit Gent. Zij promoveerde in 2005 te Olomouc op een vergelijking van Tsjechische, Duitse en Nederlandse fraseologie. Haar interesse gaat vooral uit naar fraseologismen in het Nederlands en Tsjechisch in vergelijking. kamalkova(at)hotmail.com; katerina.krizova(at)upol.cz
 

Marcin Lipnicki

'De aan mij toevertrouwde taken van beëdigde tolk-vertaler zal ik zorgvuldig en objectief uitvoeren ....' - huidige situatie en toekomst van beëdigde tolken-vertalers van de Nederlandse taal in Polen

Sleutelwoorden: beëdigde tolk, beëdigde vertaler, vertalen, tolken

De beëdigde tolken-vertalers van de Nederlandse taal in Polen behoren tot een beroepsgroep van beëdigde tolken-vertalers. Dat zijn meestal beroepsbeoefenaars die een opleiding hebben gevolgd om juridische teksten te vertalen of te tolken. Meestal omdat het niet altijd vanzelfsprekend is. In deze bijdrage ga ik de algemene situatie van de beëdigde tolken-vertalers in Polen analyseren: (o.a. hoe kan je een beëdigde tolk-vertaler worden, wat zijn de rechten en plichten van een een beëdigde tolk-vertaler). Na deze korte toelichting zal ik me op de tolken-vertalers van de Nederlandse taal in Polen concentreren. Omdat ze tot een groep van beroepsbeoefenaars van 'kleine talen' behoren komen ze vaak problemen tegen die bij hun collega's weinig optreden. Er bestaan bv. 'witte plekken' op de kaart van Polen waar er geen beëdigde tolk-vertaler van de Nederlandse taal is. Dat gaat natuurlijk samen met de opleiding van tolken en vertalers in Polen zelf. Bestaat er in Polen een doelgerichte opleiding voor de tolken en vertalers van de Nederlandse taal? Welke problemen komen ze tegen? Kunnen ze opgelost worden? Zijn ze anders dat de problemen van andere beëdigde tolken-vertalers in Polen? Op deze en andere vragen probeer ik in mijn bijdrage antwoord te formuleren.

 

Biografie

Marcin Lipnicki is werkzaam aan de vakgroep neerlandistiek van de Katholieke Universiteit Lublin - Johannes Paulus II in Polen.
 

 

Gert Loosen

'Mits': sparagras en andere syntaxis.

We hebben in het verleden al aangetoond dat 'mits' uitermate taai is en geen last heeft van ouderdomsverschijnselen, zichzelf integendeel opnieuw uitvindt en in nieuwe verschijningsvormen verder leeft. Het trekt zich ook niet veel aan van wat taaltuiniers en grammatica's menen te moeten zeggen over zijn (on)geoorloofde optreden, maar het geeft taalgebruikers een unieke 'semantische regelmaat' (Daalder) in een reeks uiteenlopende woordgroepvariaties. In onze zoektocht naar eigenaardige constructies met 'mits' stieten we op een probleemloze dubbele bezetting van de eerste zinsplaats. We bespreken deze anomalie in zijn concrete cultuurhistorische context en proberen een syntactische verklaring te geven voor deze ongewone maar acceptabele zin.

Biografie

Gert Loosen was leraar Nederlands, Duits, Engels en filosofie op tien Vlaamse scholen en lector/docent aan drie universiteiten. Momenteel is hij wetenschappelijk assistent aan de Universiteit van Debrecen en bereidt hij een PhD over het woordje 'mits' voor. gertloosen(at)gmail.com 

 


Robert De Louw

Wat zegt het cognaat facilitatie effect over de structuur van het mentale lexicon van meertaligen?

Sleutelwoorden:  cognaten, facilitatie effect

Cognaten zijn woorden uit verschillende talen/taalvariëteiten die een gemeenschappelijke etymologische oorsprong hebben, waardoor ze vaak een zekere formele gelijkenis vertonen.

Theoretische achtergrond

•          de manier waarop meertaligen cognaten verwerken levert belangrijke inzichten op in hoe het mentale lexicon georganiseerd is (bv. Van Assche et al. 2009; Van Hell en Dijkstra 2002), cognaten zijn interessant omdat ze voor bepaalde L1–L2-combinaties toegang kunnen verschaffen tot een groot receptief reservoir aan infrequente, gespecialiseerde L2-woorden (Lubliner en Hiebert 2011), cognaten zijn productief makkelijker te leren, men reageert op cognaten sneller dan op niet-cognaten (bv. Marian en Spivey 2003), facilitatie voor niet-indentieke cognaten (tunnel–tunel) is veel zwakker dan voor identieke cognaten (film-film) (Dijkstra et al. 2010),        onderzoek naar en met cognaten wordt vaak gedaan door middel van “lexicale decisie” (LDT), waarbij deelnemers moeten bepalen of een letterreeks een woord of een pseudowoord is

Onderzoeksvragen

1.         Is cognaat facilitatie zichtbaar in LDT als we alleen niet-identieke cognaten gebruiken? 2.         Is er sterkere facilitatie met L1-L3 cognaten dan met L2-L3 cognaten vanwege de leerervaring?

Proefpersonen

Voor het onderzoek zijn studenten Nederlands gevraagd met L1 Pools, L2 Engels en L3 Nederlands.

Woorden voor het onderzoek

•          niet-identieke L1-L3 cognaten (bv. SMAK-TASTE-SMAAK)

•          niet-identieke L2-L3 cognaten (bv. JABŁKO-APPLE-APPEL)

•          passende ‘controlewoorden’

De cognaten en niet-cognaten zijn in het algemeen gekozen op basis van woordkarakteristieken zoals frequentie, lengte, enz. (o.a. SUBTLEX-UK en Van Orden’s Measure). Voor de pseudowoorden is er gebruikt gemaakt van WORDGEN (Duyck et al. 2004). Door middel van de Likertschaal (7 punten) zijn de woorden ook getest op hoe concreet ze zijn, wat hun cognaatstatus is en of ze gelijk zijn qua betekenis (Tokowicz et al. 2002).

Biografie

Robert de Louw, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznań, rdelouw(at)wa.amu.edu.pl

Roland Nagy

Is de overkant in zicht als de nevel valt? Taalherkenning van Nederlandse native-speakers en NVT-studenten zonder segmentele informatie.

Intonatie is een van de meest universele en tegelijkertijd meest taalspecifieke aspecten van taal (Hirst & Di Cristo, 1998). Uit onderzoek blijkt dat prosodische kenmerken, en in het bijzonder intonatie, belangrijke functies hebben bij spraakperceptie. Niet alleen spelen ze een rol bij begrijpelijkheid (Heuven & Vries, 1983), maar ze dragen ook veel extra informatie over in verband met een aantal kenmerken van de spreker, zoals sekse, leeftijd, regionale achtergrond enz. (Pisoni & Remez, 2008, p. 237).

Naar aanleiding van Gooskens onderzoek (1997), waarbij Nederlandse standaardtaalspreker en regionale sprekers fragmenten moesten identificeren en beoordelen qua regio en standaardheid op basis van prosodische kenmerken, voer ik een onderzoek uit naar de herkenning van zeven talen zonder segmentele informatie door Nederlandse native-speakers en Centraal-Oost-Europeese NVT-studenten (met een focus op Hongaarse studenten).

In het onderzoek wordt de impliciete prosodische kennis getoetst van Centraal-Oost-Europese universitaire NVT-studenten met afwijkende taalachtergrond (Slavisch en Hongaars) en verschillende taalniveaus. Het onderzoek bevat een herkenningstoets met gemanipuleerde geluidsfragmenten in zeven talen (waaronder Nederlands). In het kader van een online enquête moeten de respondenten de fragmenten identificeren louter op basis van prosodische eigenschappen. Hypothese (1) is dat de fragmenten in de moedertaal gemakkelijker te identificeren zijn voor alle respondenten dan die in andere talen. Hypothese (2) is dat beginnende NVT-studenten meer moeite hebben met de herkenning van de Nederlandse fragmenten dan gevorderde.

Zonder de ontwikkeling van spraakperceptie is de ontwikkeling van een goede uitspraak ook onvoorstelbaar. Daarom wordt verwacht, dat de resultaten van het onderzoek niet alleen bijdragen tot een beter begrip van prosodische perceptie in het algemeen, maar ook tot waardevolle inzichten leiden voor een uitspraakonderwijs dat afgestemd is op de behoeften van de verschillende NVT-taalgroepen.

 

Biografie

Roland Nagy is docent Nederlandse taalkunde aan de Eötvös Loránd Universiteit (ELTE) te Boedapest. Hij promoveerde op het thema Fonologische integratie van leenwoorden in het Nederlands. Zijn onderzoeksinteresses gaan uit naar de (historische) fonologie (i.h.b. de Nederlandse leenfonemen), contrastieve taalkunde Nederlands-Hongaars (i.h.b. de fonetische en de fonologische dimensies) en de taalspecifieke aspecten van het uitspraakonderwijs.

dudukk(at)gmail.com

 

Željana Pancirov-Cornelisse

Cultuurverschillen in het gebruikmaken van de aanspreekvormen – gevalstudie IKEA®

Sleutelwoorden: Nederlands, Kroatisch, aanspreekvormen, persuasieve teksten, IKEA®

Vaak wordt in publicaties de bekende conclusie van Hofstede (1984, 1991) genoemd en dat is dat er tussen landen duidelijke cultuurverschillen bestaan. Voor een moedertaalspreker Kroatisch die Nederlands leert is dat zeker te merken in de praktijk, vooral wat de aanspreekvormen betreft. In de spreektaal hebben Nederlanders een informeler taalgebruik dan de Kroaten. De vraag is wat de stand van zaken is in de geschreven teksten, voornamelijk de persuasieve teksten. Over de aanspreekvormen in het Kroatisch is weinig bekend, maar men kan merken dat de communicatie in het algemeen formeler is. Voornamelijk in de persuasieve teksten en de zakelijke communicatie. Met mijn presentatie wil ik graag bruggen slaan tussen mijn twee talen en culturen en het probleem van de aanspreekvormen onderzoeken. Het beleid van IKEA® wil ik graag als voorbeeld gebruiken. IKEA® is voor Kroaten interessant vanwege hun zeer informele zakelijke benadering. Wordt dat in de Kroatische samenleving geaccepteerd en wordt het in Nederland op dezelfde manier beschouwd?

Over IKEA® zijn al enkele onderzoeken gedaan wat uiteindelijk in een uitgebreid artikel heeft geresulteerd (Ten Thije & Pinto 2010). In dat stuk wilden de auteurs aantonen dat het op grond van (Nederlandse, Italiaanse en Engelse) teksten in een catalogus van een dergelijk bedrijf mogelijk was om uitspraken te doen over de manier waarop verschillen tussen twee culturen in de taal worden uitgedrukt en hoe het door de respondenten gewaardeerd wordt. Mijn onderzoek zal op een kleine schaal uitgevoerd worden, maar desalniettemin zal het een beeld geven van hoe de Kroatische en Nederlandse culturen van elkaar verschillen in verband met het gebruikmaken van de aanspreekvormen. 

Biografie

Željana Pancirov-Cornelisse (Zagreb, Kroatië) is afgestudeerd aan de Universiteit van Leiden, afdeling Dutch Studies/Nederlandkunde, met als specialisatie (moderne Nederlandse) kunstgeschiedenis. In het academisch jaar 2007-2008 werkte ze als extern medewerker bij de Afdeling germanistiek te Zagreb. Sinds 2008 is ze werkzaam, eerst als promovenda en later als postdoc bij de afdeling germanistiek, vakgroep Nederlandse taal- en cultuurkunde. Zij is ook coördinator voor de wetenschappelijke en internationale samenwerking van deze vakgroep te Zagreb. Ze onderzoekt cultuuraspecten en taalcontacten tussen Kroatië en het Nederlands taalgebied.
 

Sofie Royeaerd

De ontwikkeling van lesmateriaal voor vergevorderde NVT-studenten: broodnodig of een brug te ver? 

Sleutelwoorden: didactiek, NVT, lesmateriaal, niveau C1, taalvariatie

Terwijl er verschillende NT2- en NVT-methodes bestaan die toewerken naar niveau B2, is het aantal leermiddelen voor vergevorderde leerders die zich willen ontplooien tot “vaardig gebruiker” (ERK-niveau C1 en C2) veeleer schaars. Nederlands naar perfectie (2015) is één van de weinige leergangen op de markt die bedoeld is voor hoogopgeleide cursisten die niveau C1 willen bereiken. In tegenstelling tot andere boeken voor deze doelgroep, die meestal op deelvaardigheden gericht zijn, presenteren de auteurs van Nederlands naar perfectie hun boek, waar ook een website aan verbonden is, als een “totaalmethode”.  Deze leergang, waarin inderdaad alle vaardigheden aan bod komen, is zeer goed inzetbaar in het universitaire NVT-onderwijs.

Toch wil ik in mijn bijdrage pleiten voor de ontwikkeling van aanvullend lesmateriaal voor vergevorderde universitaire studenten Nederlands. Omdat Nederlands naar perfectie met name op NT2-onderwijs in Nederland gericht is, komt de Belgische variëteit van het Nederlands amper aan bod. Het lijkt aangewezen om in deze lacune te voorzien, aangezien veel NVT-studenten tijdens of na hun (master)opleiding in aanraking komen met het Nederlands van Vlamingen.

In deze bijdrage wil ik nagaan aan welke eisen een NVT-methode, die verschillende variëteiten van het Nederlands integreert en toewerkt naar niveau C1, moet voldoen. Om die vraag te beantwoorden, is het van belang om de wensen en behoeften van de doelgroep in kaart te brengen. Na een korte analyse van de bestaande leermiddelen voor vergevorderde studenten Nederlands, breng ik daarom verslag uit van de resultaten van vragenlijsten die aan studenten en docenten NVT zullen worden voorgelegd. Op basis daarvan wordt een voorstel uitgewerkt, gestoeld op recente didactische inzichten, dat ik graag ter discussie voorleg.

 

Biografie

Sofie Royeaerd werkt sinds 2007 als lector aan de Masaryk Universiteit in Brno (Tsjechië). Zij studeerde Nederlands en Engels aan de Universiteit Gent en volgde de onderzoeksmaster Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, waar zij zich toelegde op literatuursociologie. Momenteel gaat haar belangstelling uit naar NVT-didactiek en variatielinguïstiek. 

 

Magda Serwadczak

Manipulatie door taal. Een onderzoek naar de toespraken van Geert Wilders

Sleutelwoorden pragmatiek, manipulatie, taal van politiek, stijlmiddelen, neologismen

Volgens Joseph (2006) en Soring (1989) is manipulatie een vast element van de taal. Het formuleren van helemaal objectieve en neutrale uitingen is dus niet mogelijk en alles wat men zegt wordt beïnvloed door wie men is, hoe men denkt en op welke manier werd men opgevoed. Ons waardesysteem, afkomst en onze persoonlijke ervaringen scheppen onze communicatie. Overigens kan manipulatie ook als een uitoefening van macht worden beschouwd (Tromp, 2007) ofwel als een belangrijk werkinstrument dat door de overheid en de politici regelmatig wordt gebruikt (Balczyńska-Kosman, 2013).

In mijn voordracht zal ik de bovengenoemde stellingen verifiëren en de vraag over de definitie en kenmerken van manipulatie beantwoorden. Aan de hand van een corpusanalyse wordt bekeken welke linguïstische manipulatiemiddelen in het Nederlands opduiken, hoe werken ze en wat kan men ermee bereiken. Zijn ze een typisch element van de taal van politiek?

De basis van het onderzoeksmateriaal is door de toespraken van een Nederlandse politicus, leider van een populistische, rechts-georiënteerde partij PVV, Geert Wilders gevormd. De samengestelde corpus omvat 5 jaar van de politieke activiteit van Wilders en het bestaat uit 24 teksten van de jaren 2013-2017. De toespraken worden met het oog op linguïstische manipulatiemiddelen geanalyseerd. Elk woord en elke uitdrukking die potentieel een manipulerende functie kunnen vervullen, worden gegroepeerd en met een commentaar bezorgd. Hun opbouw, betekenis en functie worden besproken. De resultaten van het onderzoek sluiten goed aan bij de recente ontwikkelingen op het gebied van retoriek en politieke taal en ze vormen ook een duidelijk beeld van de individuele stijl van Geert Wilders.

 

Biografie

Magda Serwadczak is in Wrocław geboren. In 2018 is zij in neerlandistiek en vertaalwetenschap aan de Universiteit Wrocław afgestudeerd waar ze nu als promovenda werkt aan haar proefschrift. Daarnaast is zij ook vertaalster. Tot haar wetenschappelijke interesses behoren vooral didactiek, communicatie en pragmalinguïstiek.

Krisztina Sóos

Vertalen van juridische teksten in de vertalersopleiding: problemen en oplossingen

Sleutelwoorden: vertalen, juridische teksten

Precies 15 jaar geleden op 1 mei 2004 traden de landen van deze regio toe tot de Europese Unie. Met de toetreding groeide het aantal transacties tussen de lidstaten op de interne markt en daardoor namen de taken van vertalers enorm toe. Dit jubileum geeft een goede gelegenheid om over de taken en verantwoordelijkheden van docenten te spreken die colleges op het gebied van vertalen van juridische teksten geven.

In mijn presentatie geef ik aan de hand van besluiten van de rechtbanken een beeld van de uitdaging die het vertalen van die besluiten voor docenten en studenten betekent. Ik behandel de kenmerken van juridische teksten op het gebied van dubbelzinnigheid, archaïsche elementen, intertekstualiteit en de specialistische terminologie. De typologie van Šarčević die de functie van de te vertalen tekst als basis neemt, kan als een geschikte leidraad voor de docent dienen. Šarčević maakt onderscheid tussen drie types teksten: prescripieve teksten (bijv. wetteksten), descriptieve teksten (publicaties, leerboeken) en descriptieve teksten met prescriptieve elementen (bijv. arrest). Op dit gebied is de bewustmaking van de verschillende tekstsoorten bijzonder belangrijk. Door gerichte opdrachten kunnen de vertalersstudenten zonder juridische opleiding de juridische communicatieve vaardigheid aanleren. Op grond van mijn ervaringen geef ik een praktijkgerichte werkmethode met verschillende soorten opdrachten die de docenten zonder juridische kennis als hulp kunnen gebruiken. Hiervoor vormen verschillende Nederlandstalige besluiten van rechtbanken de basis, die zowel descriptieve (’De feiten’) als prescriptieve elementen (’De beslissing’) bevatten.

Tijdens mijn presentatie laat ik ook zien hoe we de ICT-technieken op de vertaalcolleges kunnen gebruiken en daardoor de motivatie van de 21 eeuwse studenten kunnen opwekken.

Biografie

Krisztina Soós studeerde rechten en neerlandistiek aan de Universiteit ELTE te Boedapest. Na het afstuderen was zij werkzaam als jurist bij de Hoge Raad en het Gerechtshof in Boedapest. Daarna volgde zij de vertalersopleiding van Károli Universiteit te Boedapest. Zij werkt al een tiental jaar als vertaalster van juridische en zakelijke teksten. Daarnaast geeft zij lessen aan de leerstoel neerlandistiek aan de Károli Universiteit voor zowel bachelorstudenten als studenten van vertalersopleiding. Zij is gespecialiseerd in vertaling van verschillende soorten juridische teksten (overeenkomsten, stukken in rechtszaken, teksten van de Europese Unie).


Ekaterina Tereshko

Vertaalproject Het DNA van het Nederlands

Sleutelwoorden: vertalen, vertaalproject, didactiek, CAT-tools, motivatie

Mijn presentatie gaat over een vertaalproject dat een jaar gaande aan de Lomonosov Staatsuniversiteit te Moskou uitgevoerd werd. Dit project had als doel bruggen te slaan tussen veel landen, maar tot nu toe is het nog steeds kleinschalig gebleven. Het vertaalproject dekt veel terreinen: het heeft betrekking niet alleen maar tot het vertalen zelf, maar het helpt ons studenten te motiveren meer zelfstandig te leren, wat effectief lijkt volgens de laatste onderzoeken, bijvoorbeeld, van Joke Droste en Kitty Boogert, maar ook in zulke boeken als “Leraren leren als gelijken: Wat werkt?” van Marieke Thurlings en Perry den Brok en in masterprojecten zoals “Schoolbetrokkenheid en de rol van peers, docenten en etniciteit onder scholieren op het VMBO“ wordt dit thema aangesneden.

Bij het vertaalproject heb ik aan mijn studenten voorgesteld om geen losse teksten maar een heel boek te vertalen. Dat was al een uitdaging voor hen en hun motievatie om de cursus vertalen te nemen steeg. We hebben het boek „Het DNA van Nederland@ genomen met het ook op culturele component en vertaling van realia daarin. Bovendien heb ik ze voorgesteld om een nieuw programma, een CAT-tool, te gebruiken, wat ook uitdagend leek.

Tijdens mijn presentatie zal ik de inrichting en de innerlijke functionering van het project bespreken met illustraties van de tool die we gebruikt hebben. Bovendien zal ik de resultaten van de motivatie-onderzoek bij studenten laten zien, dat uitgevoerd werd op basis van individuele gesprekken en een eind-enquête aan het eind van de cursus vertalen 2018-2019.

Aan het eind van mijn presentatie zal ik het eerste idee van het vertaalproject laten zien, dat tot nu toe niet tot stand is gekomen, maat dat interessant kan zijn voor de toekomst. Vier componenten van dit project lijken ons van groot belang te zijn. Dat zijn, namelijk, het didactische nut op het gebied van taalverwerving en landkunde, mogelijkheid om vertalingen in verschillende talen te vergelijken, wat zowel voor vertalers als voor onderzoekers van belang kan zijn, en de kwestie van popularisatie van de Nederlandstalige literatuur en de Nederlandse cultuur in het algemeen

Biografie

Ekaterina Tereshko werkt tegenwoordig als docent Nederlands aan de Staatsuniversiteit Moskou, terwijl ze tegelijkertijd haar PhD doet aan de Staatsuniversiteit van Sint-Petersburg. Zij heeft een bachelor- en masterprogramma Neerlandistiek gedaan aan de Universiteit van Sint-Petersburg. Daarna heeft ze ook buitenlandse ervaring opgedaan en is ze in 2014 afgestudeerd aan de Universiteit Gent. Ze heeft daar het programma ‘Meertalige communicatie’ gevolgd. In 2016 is zij vanuit Sint-Petersburg naar Moskou verhuisd waar ze het werk in het kader van de neerlandistiek in Rusland verder voortzet, niet alleen als docent Nederlands aan de universiteit, maar ook als docent Nederlands aan de cursussen van Nuffic NESO Russia.
 

Katarzyna Tryczyńska

Ondraaglijke onvertaalbaarheid? Over het leggen van bruggen in de terminologie van het arbeidsrecht tussen het Nederlands en het Pools

Sleutelwoorden: juridische terminologie, juridisch vertalen

Het staat inmiddels vast dat de kennis van terminologie onmisbaar is om een vaktaal te beheersen en op een juiste manier te gebruiken. Hetzelfde geldt voor de praktijk van het gespecialiseerd vertalen. Gelet op de specificiteit en eigenheid die juridische teksten kenmerkt, speelt de terminologie een cruciale rol bij het vertalen ervan. De systeemgebondenheid van juridische termen veroorzaakt op zijn beurt talrijke vertaalproblemen en het vinden van juiste equivalenten blijkt erg problematisch. Om die redenen kiezen de vertalers vaak voor de letterlijkheid als vertaalstrategie. Dit is voornamelijk het geval voor de vertaling van het EU-recht (Biel, 2015).  

In deze bijdrage gaat de aandacht uit naar terminologische problemen die opduiken bij het juridisch vertalen binnen het domein van het Belgische en Poolse arbeidsrecht. Als we het arbeidsrecht in het algemeen en van de voornoemde landen in het bijzonder optrekken naar een comparatief perspectief, is het vrijwel automatisch een aanleiding tot discussies die politiek en juridisch van aard zijn. De oorzaak hiervoor ligt in het feit dat het arbeidsrecht omwille van zijn eigenheid veel maatschappelijke dimensies omvat. Daarom blijkt het vanuit het juridisch oogpunt een grote uitdaging te zijn om tot een gemeenschappelijke visie te komen. Daardoor ontstaan er bovendien ook vertaalproblemen wanneer men te maken heeft met termen uit verschillende rechtssystemen die conceptueel van elkaar verschillen of die slechts in één van de rechtssystemen in kwestie bestaan. De focus zal daarom liggen op een aantal problemen die door de systeemgebondenheid van termen uit het arbeidsrecht ontstaan. Deze moeilijkheden worden geïllustreerd aan de hand van enkele termen uit het Belgische en Poolse arbeidsrecht die een deel uitmaken van een veel omvangrijker corpus.

Biel, Ł. (2015). „Dosłowność jako strategia w przekładzie unijnych aktów prawnych” In: J. Dybiec-Gajer, (Nie)dosłowność w przekładzie. Od literatury dziecięcej po teksty specjalistyczne. [Język a komunikacja 36], pp.137-147.

Biografie

Katarzyna Tryczynska is sinds 2006 verbonden aan de Erasmus Leerstoel voor Neerlandistiek aan de Universiteit van Wrocław (Polen). Zij verzorgt daar colleges vertaaltheorie, literair vertalen, gespecialiseerd vertalen en audiovisueel vertalen. Haar wetenschappelijke interesse gaat uit naar vertaalwetenschap en terminologie. Momenteel houdt ze zich bezig met het onderzoek naar de juridische terminologie binnen het Belgische, Nederlandse en Poolse arbeidsrecht.

katarzyna.tryczynska(at)uwr.edu.pl

 

 

Agnieszka Urniaz

De groene brug. Hoe kunnen plantennamen talen verbinden?

Sleutelwoorden: naamgeving, naamkunde, etymologie

Aangezien de verscheidenheid van planten, afhankelijk van de aardrijkskundige en andere (o.a. culturele) factoren, is de plantennaamgeving uiteenlopend. Vóór de systematiek van plantennamen van Linnaeus was er geen universele homogene naamgeving voor planten. Dankzij het systeem van de Latijnse nominatie dat in grote mate tot nu actueel is, werd er een (in principe) universele basis voor de identificatie van individuele species gecreëerd. Tegelijkertijd bewaren afzonderlijke taalsystemen de gebruikelijke namen. Ten gevolge ervan hebben wij met twee parallelle systemen te maken: het Latijnse (tot op zekere mate universele) en het inheemse.

In de inheemse talen zijn de plantennamen (fitoniemen) een resultaat van bepaalde (taal)tradities en ze worden in elke taal volgens een bepaalde sleutel gecreëerd. In de meeste gevallen zijn de namen morfoniemen, die het uiterlijk van de plant beschrijven (bijv. Witte kornoeltje) of eponiemen, die in eer van een bekende persoon, echte of mythologische, genomen zijn (bijv. Sosnowsky's berenklauw). Een groep van heel populaire fitoniemen vormen toponiemen (bijv. Japanse zwarte den), die aardrijkskundige namen omvatten. Taxoniemen, die op een zekere gelijkenis stoelen, weerspiegelen de ingewikkelde verbindingen tussen afzonderlijke talen.

In de presentatie zal ik me op verschillende aspecten van plantennamen concentreren die als een brug tussen talen kunnen worden beschouwd. Het probleem wil ik vanuit het etymologische en onomastische perspectief op basis van de namen van geselecteerde planten uit onze regio presenteren.

Biografie

Agnieszka Jolanta Urniaż is in Wrocław geboren en met Wrocław verbonden. Haar werk is op taalkunde gericht, met name op policonfrontatieve analyse van plantennamen vanuit etymologisch en naamkundig perspectief.
 

 

Orsolya Varga

Vertalen en ambiguïteit

Sleutelwoorden: vertalen, betekenisveld, polysemie, ambiguïteit

In alle talen is de meerderheid van de woordenschat polyseem, dat wil zeggen, de meeste woorden hebben meerdere betekenissen. Zowel polysemie als homonymie kunnen tot ambiguïteit leiden. We maken uit de context op om welke betekenis het gaat.

Er zijn echter gevallen waarbij het uit de context toch niet duidelijk is welke betekenis wordt bedoeld: bijvoorbeeld in poëzie, woordspelletjes of moppen.

Aangezien er geen twee talen zijn waarin de woorden precies dezelfde betekenisvelden bezitten, vormt het een basisprobleem bij het vertalen.

Hoe gaan vertalers om met de meerduidigheid van woorden en uitdrukkingen in de brontaaltekst? Hoe kunnen we de verschillende soorten ambiguïteiten categoriseren? Op basis van een aantal case-studies en mijn eigen ervaringen als literair vertaalster streef ik ernaar om dit probleem in kaart te brengen en op deze vragen een antwoord te geven.

Biografie

Orsolya Varga doceert theorie en praktijk van het vertalen en beschrijvende taalkunde bij de vakgroep Neerlandistiek aan de Eötvös Loránd Universiteit (ELTE) te Boedapest. Zij promoveerde in 2008 op vertaalopvattingen in Nederland en Hongarije in de eerste helft van de 20ste eeuw. Haar onderzoeksbelangstelling gaat uit naar vertaalgeschiedenis en vertaaltheorieën in Nederland en Hongarije.

Zij maakt regelmatig literaire vertalingen van Nederlandstalige auteurs, en werkte mee als redacteur aan het Nederlands-Hongaars handwoordenboek.

vargaorsolya(at)hotmail.com

 

Muriel Waterlot

Vertalen in het vreemdetalenonderwijs? Studenten aan het woord…

In de afgelopen jaren heeft een herwaardering plaatsgevonden van de rol van vertalen en vertalingen in het vreemdetalenonderwijs (Cook, 2009, 2010; Laviosa, 2014; Carreres, 2014). Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader (2001) heeft het over vertalen en tolken als ‘bemiddeling’, maar het gebrek aan descriptoren heeft ertoe geleid dat dergelijke activiteiten nog grotendeels over het hoofd worden gezien. Daarnaast heeft een onderzoek van de Europese Unie naar de rol van vertalen in het onderwijs van de talen in de Europese Unie gewezen op de behoefte aan meer inzicht in de opinie van studenten in het leren van vreemde talen (Pym, Malmkjær en Gutiérrez-Colon, 2013). Om hieraan tegemoet te komen, wordt in deze presentatie verslag uitgebracht van de opinie van Poolse studenten omtrent vertalen en vertalingen in de vreemdetaalles. Bovendien wordt - op basis van de bevindingen van een vertaalproject dat tijdens dit semester (academiejaar 2018-19) in de masteropleiding gerealiseerd werd aan de KUL JPII - nagegaan wat hun mening is omtrent het werken met reële vertaalopdrachten.

Biografie

Dr. Muriel Waterlot is universitair hoofddocent taalkunde en vertaalkunde bij de leerstoel Nederlandse Taal- en Letterkunde, Faculteit Humane Wetenschappen van de Johannes Paulus II Katholieke Universiteit Lublin. Haar onderzoeksterreinen zijn o.a. vergelijkende taalkunde, interculturele communicatie en vertaaldidactiek in het vreemdetalenonderwijs. Contact: Katedra Literatury i Języka Niderlandzkiego IFA, Katolicki Uniwersytet Lubelski Jana Pawła II, al. Racławickie 14, 20-950 Lublin. murielwaterlot(at)kul.pl.
 

Katarzyna Wiercińska

‘Mag ik even mijn zin afmaken?’ Beleefdheidsstrategieën in Poolse en Nederlandse verkiezingsdebatten

De bedoeling van deze bijdrage is om aan de hand van een corpus naar de beleefdheidsstrategieën te kijken in Poolse en Nederlandse verkiezingsdebatten. Het corpus bestaat uit een tiental tv- en radiodebatten waarvan de vorm ook verschillende soorten interactie vereist: interactie tussen twee of meerdere deelnemers, interactie tussen de moderator en een of meerdere sprekers en eventueel ‘interactie’ met de kijkers die al dan niet direct aangesproken worden als politici de tijd krijgen voor een individueel exposé.

Wat beleefdheidsstrategieën betreft, zijn verkiezingsdebatten bijzonder onderzoeksmateriaal. De deelnemers komen namelijk voor een performance waarmee zij het standpunt van hun partij willen verdedigen en het standpunt van hun opponenten willen tegenspreken (Coleman 2000; Shibamoto-Smith 2011). De specificiteit van een debat als communicatieve situatie vereist dat al de interacties verlopen in overeenstemming met de communicatie- en beleefdheidsstandaarden die in de gegeven samenleving van toepassing zijn (ook wat het taalniveau betreft. Een debat impliceert tegelijk ook een competitie waardoor elke deelnemer wordt ‘blootgesteld’ aan meer gezichtsbedreigende situaties en des te meer moeite moet doen om zijn gezicht niet te laten schenden (Hinck en Hinck 2002; Beom 2010). Het gebruik van verschillende beleefdheidsstrategieën (en hoe deze worden verwoord), kan in elke cultuur verschillend zijn. De communicatiestijl kan namelijk beïnvloed worden door o.a. culturele waarden zoals maatschappelijke hiërarchie (Ogiermann 2009).

Nederland en Polen scoren anders als het gaat om sociaal-maatschappelijke hiërarchie (Hofstede 1991): Nederland is meer egalitair in tegenstelling tot Polen waar de machtsafstand over het algemeen groter is. Bovendien is de Nederlandse mentaliteit meer op het individu gericht terwijl collectiviteit nog steeds van belang is in Polen (Hofstede 1991, House et al. 1998). Er zal dus gekeken worden of en welke verschillen daardoor geïmpliceerd worden in de beleefdheidsstrategieën die in de corpusdebatten aan bod komen.

 

Biografie

Dr. Katarzyna Wiercińska is Assistant Professor bij de Vakgroep Nederlandse en Zuid-Afrikaanse Studies van de Adam Mickiewicz-universiteit in Poznań. Haar onderzoek richt zich op beleefdheid op taalniveau, met name op de perceptie van directieve taalhandelingen.

 

Anna Witczak

Een brug slaan tussen psychologie, taal en justitie: hoe doe je dat?

Sleutelwoorden: tolken, psychische aandoening, justitie

Tolken voor een cliënt met psychische aandoening die in een strafrechtelijke procedure verwikkeld is, vraagt van de tolk een extra inspanning en psychologische voorkennis om de taak op de juiste manier uit te kunnen voeren.

Voor een forensisch psychiatrisch patiënt die schizofreen is en beschuldigd wordt van strafbare feiten en die ter observatie in een psychiatrische instelling opgenomen is, is de juistheid van de vertaling cruciaal en heeft een grote invloed op de beslissingen die door de artsen, psychologen en uiteindelijk door de justitie genomen worden.

Men wordt als tolk in een dergelijke situatie meegenomen naar een wereld van wanen, hallucinaties, verwarde gedachten. In mijn presentatie wil ik op grond van een casus antwoorden proberen te geven op de volgende vragen: Hoe moet een tolk met een psychiatrische patiënt omgaan? Is psychologische kennis in een dergelijke situatie een noodzaak? De manier waarop men de patiënt/verdachte vragen stelt, is van enorm belang omdat de persoon in kwestie overgevoelig is en overal naar een complot zoekt. De persoon is wantrouwend, let op elk woord, op elke formulering. In hoeverre moet men er rekening mee houden?

Bovendien wordt aandacht besteed aan andere elementen van een dergelijke tolkopdracht, zoals de lichaamshouding van de tolk,  het vertalen van psychologische vragenlijsten en testen en streven naar conceptueel vergelijkbare teksten.

Een opdracht waarbij de tolk met een cliënt met psychische aandoening een een strafrechtelijke procedure wordt geconfronteerd betekent een brug slaan tussen psychologie, taal en justitie.

Biografie

Anna Witczak i sinds 2017 verbonden aan de Erasmus Leerstoel voor Nederlandse Filologie te Wrocław. De twee studierichtingen die ze heeft afgerond, Nederlandse filologie en psychologie met specialisme neuropsychologie, verbindt ze in haar huidig onderzoek dat focust op emotielexicon bij tweetalige personen en geloofwaardigheid van getuigenverklaringen.

 

 

Eszter Zelenka

Het ontwikkelen van 21ste-eeuwse vaardigheden tijdens taalverwervingscolleges

Sleutelwoorden:  21ste-eeuwse vaardigheden, taalverwerving, pedagogische begeleiding

Hoe leren studenten in de 21ste eeuw? Hoe verwerven jongeren een vreemde taal?  Welke vaardigheden moeten ze ontwikkelen om goed te kunnen functioneren in de digitale maatschappij? Hoe draagt de universitaire studie hier aan bij?

In mijn lezing wil ik ingaan op de mogelijkheden van pedagogische begeleiding van de studenten om 21ste-eeuwse vaardigheden zoals kritisch denken, probleemoplossend vermogen, communiceren en samenwerken te kunnen ontwikkelen en inzetten tijdens taalverwervingscolleges en op welke manier vooruitgang op deze gebieden gemeten kan  worden.

Biografie

dr. Eszter Zelenka is verbonden aan de Karoli Universiteit te Boedapest als assistente Nederlands.

zelenka.eszter(at)gmail.com

 


Cultuurkunde en (kunst)geschiedenis

Toni Bandov

Coenraad de Buys – De Zuid-Afrikaanse western aan de Kaapse Oostgrens

Sleutelwoorden: Kaapkolonie, outlaw, trekboer, historisch-literaire analyse

In 2014 publiceerde de Zuid-Afrikaanse schrijver Willem Anker de roman “Buys” met de ondertitel “’n grensroman”. Het verhaal is gebaseerd op de levensloop van de Zuid-Afrikaanse trekboer Coenraad de Buys (1761-1821). De Buys speelde een belangrijke rol aan de Oostgrens van de Kaapkolonie tijdens de eeuwwisseling wanneer de kolonie in Britse handen overgaat. De Buys was een beruchte figuur omdat hij onder andere bij de Xhosa woonde en als bemiddelaar fungeerde tussen het bestuur van de kolonie en de verspreide stammen aan de overzijde, die langzamerhand onrustig beginnen te worden vanwege de instroom van de Europese kolonisten naar hun gebied.

In deze onrustige periode, nog vóór de tijd van de Grote Trek naar het oosten, volgen we De Buys als een letterlijke en figuurlijke grensfiguur – van Europese afkomst maar getrouwd met een inheemse vrouw, afgezonderd als banneling vanwege allerlei misdaden maar daarom een geschikte tolk en raadgever voor de Xhosa.

Verschillende malen wordt hem pardon verlenen, maar het lukt hem telkens niet om zich voorgoed te vestigen binnen de grenzen van de kolonie. Wanneer het te gevaarlijk wordt onder de Xhosa, trekt hij samen met zijn talrijke familie naar het noorden waar hij in contact komt met de Basters en de gevluchte slaven die hem beschermen tegen de oprukkende commando’s uit de kolonie.

De levensloop van De Buys leest men zonder veel inspanning als een geslaagde roman. In deze bijdrage gaan we nader onderzoeken in hoeverre de literaire De Buys verschilt van de historische. Verder gaan we onderzoeken of het verhaal over De Buys kan worden vergeleken met de beroemde cowboyverhalen uit het Wilde Westen over de roemruchtige Butch Cassidy aan de ene of de volksheld Davy Crockett aan de andere kant. Tegelijk gaan we zien of er overeenkomsten zijn in de beeldvorming van de Amerikaanse frontier en de Kaapse Oostgrens als de enig mogelijke plek waar de ‘beschaving’ ophoudt en de grijze zone ontstaat waaruit figuren als De Buys en hun avonturen überhaupt kunnen voortvloeien.

Biografie

Toni Bandov werkt als promovendus aan de Faculteit der Geestes- en Sociale Wetenschappen in Zagreb. Momenteel verricht hij promotieonderzoek naar het literaire oeuvre van Karel Schoeman. Zijn wetenschappelijk interesse draait voornamelijk om de verhouding tussen literatuur en natie- en identiteitsvorming. Recentelijk is hij begonnen met een college Afrikaans voor studenten neerlandistiek.

 

Johannes Beelen - „...sehr viel in diesem Stücke von den Holländern erlernen“. Ulrich Jasper Seetzen en Diedrich Heinemeyer op reis door de Bataafse Republiek

Sleutelwoorden: Bataafse republiek, beeld van Nederland, Heinemeyer, Seetzen, technologie, intellectuele netwerken

Ulrich Jasper Seetzen (1767-1811) en Diedrich Heinemeyer (1771-1814): twee innig bevriende Duitse intellectuelen, beide geboren in Jever, een stadje dat rond 1800 deel uitmaakte van het groothertogdom Oldenburg, en beide betrekkelijk jong gestorven, de een te Jemen door vergiftiging op verdenking van spionage, toen hij op weg was naar de binnenlanden van Afrika, de ander in zijn geboorteplaats Jever. Aan het begin van hun loopbaan waren ze alletwee  meer dan eens op reis in Nederland, en dat met een opvallend enthousiasme,

Van Heinemeyer is veel handschriftelijk materiaal in de UB Leiden aanwezig: reisbrieven uit Harderwijk, Groningen, Utrecht, Leiden, Den Haag en Amsterdam aan Seetzen. “„Ein jeder Gelehrter dieses Landes ist mein Freund“ , schreef hij op 1 augustus 1801 uit Harderwijk. Blijkens zijn onuitgegeven brieven verkeerde hij in de hoogste kringen en had hij tegelijk een scherp oog voor de sociale misère van de lagere standen. In de UB Leiden berusten ook Heinemeyers bouwstoffen voor een nooit uitgegeven lexicon van 'Bataafsche' geleerden en auteurs.

Seetzen heeft over zijn twee reizen door Nederland talrijke artikelen gepubliceerd in tijdschriften als het Journal für Fabrik, Manufaktur, Handlung und Mode. Zijn belangstelling is vooral technologisch: zelf bezitter van een windmolen, was hij vol enthousiasme voor de industrie en de technologie van de Bataafse Republiek. Hij bezocht o.m. de chemische fabriek van Watse Gerritsma in Makkum en probeerde aan een Schiedams jeneverstoker een geheim recept voor gist te ontfutselen. Zijn Nederlandse reiservaringen, geschreven in een beeldende stijl, vormen in een aantal opzichten de opmaat voor zijn latere grote reis door de Oriënt, Egypte en Afrika. Tijdens die reis volgde hij nog steeds met belangstelling de politieke ontwikkelingen in het Koninkrijk Holland.

Biografie

Hans Beelen (1960). Studie Nederlands te Leiden. Werkzaam als taaldocent  aan het Instituut für Niederlandistik van de Carl von Ossietzky Universität te Oldenburg (Duitsland). Medeoprichter en  projectcoördinator  van de Stichting Vrijwilligersnetwerk Nederlandse Taal, vaste medewerker bij Onze Taal, voorzitter van het Niederlandistenverband, redacteur van Nachbarsprache Niederländisch. Vorig jaar publiceerde hij samen met Ingried Biesheuvel bij uitgeverij Athenaeum de een bloemlezing rond arctische walvisvaart met de titel Walvissen groot en vet. Hij werkt aan een artikel over Seetzens beeld van Nederland en aan een editie in boekvorm van de reisbrieven van Heinemeyer aan Seetzen (UB Leiden, Ltk. 1001) en (samen met de germanist Detlef Haberland) aan een aanvullend deel van de uitgave van Seetzens complete gedrukte werken, waarin ook diens teruggevonden beschouwingen over Nederland zullen worden opgenomen.

Emmeline Besamusca

Over de brug: Nederlandse vrouwen die zich  bekeren tot de Islam

Sleutelwoorden: bekering, identiteitsconstructie, Islam

Moslims en Islam zijn niet meer weg te denken uit het publieke discours in Nederland. Tegelijkertijd wordt in het geculturaliseerde integratiedebat (Entzinger 2014, Slootman & Duyvendak 2015) steeds vaker openlijk betwijfeld of er wel plaats is voor de Islam in een westerse context. In dat debat worden ‘islamitisch’ en ‘westers’ dan in een binaire oppositie voorgesteld (Ghorashi 2007), hetgeen veelal geadstrueerd wordt aan de hand van de positie van de vrouw: de westerse vrouw als geëmancipeerd, zelfstandig en bevrijd, en de islamitische vrouw als achtergesteld, afhankelijk en gekooid (Hirsi Ali 2003). Jaarlijks zijn er ook zo’n 500 autochtone Nederlandse vrouwen die zich tot de islam bekeren (Meinema 2015). Sociaal-wetenschappelijk onderzoek geeft inzicht in beweegredenen voor en consequenties van een dergelijke keuze (Van Nieuwkerk 2006, Vroon-Najem 2014). De stem van deze groep vrouwen is ook te horen in talloze persoonlijke, vaak anonieme getuigenissen online. In deze bijdrage wordt nagegaan hoe vrouwen zich in dergelijke bekeringsverhalen positioneren, en welke gevolgen hun transitie heeft in de communicatie met de cultuur waarin ze zijn opgegroeid.

Biografie

Emmeline Besamusca is als docent Dutch Studies verbonden aan het Departement Talen, Literatuur en Communicatie. Zij verzorgt onderwijs op het gebied van Nederlandse cultuur voor Internationale studenten van de Faculteit Geesteswetenschappen en het University College Utrecht. Daarnaast is zij als docent betrokken bij de MA opleiding Interculturele Communicatie. Zij coördineert en begeleidt stages 'Nederlands als Vreemde Taal', waarin Utrechtse studenten Nederlands, TCS en anderen kennis maken met de neerlandistiek buiten Nederland.

Regelmatig geeft zij gastcolleges bij afdelingen Nederlands aan universiteiten elders in Europa, waaronder Brno (2011, 2014, 2015), Boedapest (2014, 2015) en Trinity College Dublin (2000-2010).

Emmeline is eveneens werkzaam aan de afdeling Nederlands van het Institut Europäische und Vergleichende Sprach- und Literaturwissenschaft van de Universität Wien, waar bij cursussen geeft over cultuur en geschiedenis van de Lage Landen.
 

Réka Bozzay

De Lage Landen en de Hongaarse wijn in de late middeleeuwen en in de vroegmoderne tijd

Sleutelwoorden: Nederlandse kolonisten, wijnexport, Maria van Hongarije, Leopold I, Johann Joachim Becher, handelscompagnie

Recente onderzoeken bewijzen dat de vraag naar de Hongaarse wijn sinds het eind van de middeleeuwen groeide. Naar Pruisen en Polen, die geografisch Hongarije dichterbij lagen, werden in grote hoeveelheid Hongaarse wijnsoorten geëxporteerd. Vanwege de lange levertijd, de hoge belasting werd naar de Lage Lande in kleinere hoeveelheid wijn gebracht. In mijn bijdrage zal ik nader onderzoeken welke rol kolonisten uit de Lage Landen in Hongarije in het introduceren van de wijnbouw speelden, wanneer de wijnexport naar de Lage Landen begon. Over de wijnexport naar de Nederlanden in de middeleeuwen weten we weinig, maar al in de 15de eeuw werd Hongaarse wijn door de bemiddeling van de Duitse Orde naar Vlaanderen gebracht. Later op het hof van Maria van Hongarije werd Hongaarse wijn gedronken dankzij haar Hongaarse goederen waar wijn werd geproduceerd. Pas in de tweede helft van de 17de eeuw kwam het idee wijn in een institutionele vorm naar Nederland te exporteren. Leopold I gaf Johann Joachim Becher de opdracht om in de Lage Landen markt te vinden voor de Hongaarse wijn en eventueel ook een handelscompagnie op te richten om de wijnexport te bevorderen. In de volgende decennia werd geprobeerd ook andere Hongaarse producten naar de Lage Landen en Engeland te brengen en ook andere kooplui werden betrokken bij de handelsonderhandelingen. Hongaarse landbouwproducten bereikten echter niet alleen op een officiële wijze de Nederlanden, maar ook informeel door diplomaten en Hongaarse studenten die wijn als cadeau met zich meebrachten.

 

Biografie

Réka Bozzay

Universiteit Debrecen

rekabozzay(at)gmail.com  

 


Zsuszanna Gacsi – Braun

In gesprek met oude meesters II. – Nederlandse (portret)fotografie geïnspireerd door klassieke kunst

Ik hou me momenteel bezig met een onderzoek op het gebied van de invloed van klassieke Nederlandse/Vlaamse kunst op diverse media van hedendaagse kunst (beeldende kunst, fotografie, film, literatuur, strip, toneel, performance art, enz.)

De intentie van mijn analyse is onder de loep te nemen in welke vormen klassieke/gecanoniseerde kunst zich manifesteert in de kunst van vandaag, maar ook binnen populaire cultuur in bredere zin, inclusief sociale media.

In Bratislava wil ik me graag op een klein gebied van het onderzoek concentreren, namelijk de invloed van klassieke meesters van de Lage Landen (Rogier van der Weyden, Johannes Vermeer, Rembrandt van Rijn) op hedendaagse portretfotografie.

Er is een generatie Nederlandse fotografen die zich laten inspireren door de compositie, lichtbewerking, sfeer enz. van klassieke werken maar tegelijkertijd een hedendaagse interpretatie aanbieden in diverse vormen van Appropriation Art (hommage, pastiche, parafrase, enz.).

Tijdens de presentatie worden er werken getoond van oa. Erwin Olaf, Hendrik Kerstens, Danielle van Zadelhoff, Suzanne Jongmans en Carla van de Puttelaar, allemaal door klassieke meesters geïnspireerd.

 

Biografie

Zsuzsanna Braun studeerde Letterkunde, Esthetica en Neerlandistiek aan de universiteiten ELTE en KRE in Boedapest. Tijdens haar studies publiceerde ze recensies van vertalingen van Nederlandse en Vlaamse romans, van onder anderen Cees Nooteboom, Gerard Reve en Herman Brusselmans, in verschillende Hongaarse literaire tijdschriften.

Na een carrière in het bedrijfsleven keerde ze in 2017 terug naar de wereld van de geesteswetenschappen, en werkt sindsdien als coördinator van de vakgroep Neerlandistiek aan de KRE (Károli Gáspár Universiteit) in Boedapest. In januari 2019 haalde ze de diploma Nederlands-Hongaarse  Vertaalopleiding aan dezelfde universiteit.

Haar interesses zijn vooral kunst, fotografie en design.

 


Judit Gera

Kindertreinen als vorm van culturele transfer tussen Hongarije en Vlaanderen. De dynamiek tussen feit en fictie in het werk van de gebroeders Edgar en Rudi Hermans

Sleutelwoorden: Culturele transfer, kindertreinen, culturele herinnering, postmemory

Magda Horváth moeder van de Belgische Edgar (1948) en Rudi Hermans (1953) was van Hongaarse afkomst. Ze ging in het kader van de kinderactie in 1927 naar België om daar aan te sterken. Dit is het begin van haar nooit aflatende heimwee naar en herinnering aan Hongarije dat ze later meermalen bezocht maar om verschillende redenen steeds weer verliet.

De feitelijke aspecten van dit levensverhaal werd door Edgar Hermans in een documentair geschrift Kedves Magda [Beste Magda] (2016) bewerkt. Het boek volgt de gebeurtenissen chronologisch en is rijk geïllustreerd met familiefoto's. 

De Vlaamse schrijver Rudi Hermans bewerkte het verhaal van hun moeder in meerdere literaire werken onder andere in Terug naar Törökbálint (1989) en in De troonpretendent ( 2017). Het genre waarin hij schrijft is autobiografische fictie. Geïnspireerd door het boek van zijn broer Edgar bewerkt Rudi Hermans het verhaal van hun moeder nog eens in het toneelstuk  Een bijzondere vrouw (2018).

In de lezing wordt gekeken naar de drie verschillende manieren van tekstuele representatie van een waargebeurd verhaal. Hoe worden feiten tot fictie bewerkt? Wat is de rol van culturele en postherinnering bij kinderen van de deelnemers van de kinderactie in de jaren 20 van de vorige eeuw in het construeren van een 'verbeeld Hongarije'?

 

Biografie

Judit Gera is hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de vakgroep Neerlandistiek van de Eötvös Loránd Universiteit te Boedapest. Ze is gehabiliteerd op het onderwerp dwarsverbanden tussen literatuur en schilderkunst in Nederland en Vlaanderen. Er zijn twee Hongaarstalige boeken van haar hand verschenen over hetzelfde onderwerp. In 2005 publiceerde zij haar vergelijkende studies in het Nederlands onder de titel: Tussen literatuur en schilderkunst (Uitgeverij Eötvös). Daarnaast heeft ze in 2001 de Nederlandstalige studie Van een afstand. Max Havelaar tegendraads gelezen (L.J. Veen) gepubliceerd. Voor haar vertalingen van literatuur uit het Nederlands ontving ze in 2001 de Martinus Nijhoff-prijs. In 2010 verscheen van haar hand samen met co-auteur A. Agnes Sneller en met de steun van de Nederlandse Taalunie het cursusboek Inleiding literatuurgeschiedenis voor de internationale neerlandistiek bij Uitgeverij Verloren.

Tussen 2001-2006 was zij voorzitter van de Comenius Vereniging voor Neerlandici in Centraal- en Oost-Europa. Ze is redacteur van het tijdschrift Journal of Dutch Literature.

 

 

Paul Hulsenboom

Veldheren in den vreemde. Maurits van Oranje in het Pools-Litouwse Gemenebest en Jan III Sobieski in de Republiek der Verenigde Nederlanden

Sleutelwoorden:  Imagologie, Maurits van Oranje, Jan III Sobieski, lofdichten, grafische kunst, interconfessionele receptie, propaganda

Deze lezing poogt een brug te slaan tussen twee befaamde veldheren: Maurits van Oranje (1567-1625) en Jan III Sobieski (1629-1696). Beiden maakten naam als getalenteerde bevelhebbers en verwierven daardoor internationale roem. Bovendien, zo schreef Sobieski de dag voor de Slag bij Wenen aan zijn vrouw, zag hij Maurits als een van zijn militaire voorbeelden, iets wat mede zal zijn ingegeven door het feit dat zijn vader Jakub Maurits zelf ontmoet had.      

De relatie tussen Maurits en Sobieski reikt echter dieper. Beiden kenden namelijk een rijke internationale receptie. In de lezing zal ik aan de hand van verschillende literaire en visuele bronnen bespreken hoe enerzijds Maurits in het Pools-Litouwse Gemenebest, en anderzijds Sobieski in de Republiek der Verenigde Nederlanden beroemd werden, ondanks het feit dat Maurits een bij uitstek protestantse held was, en Sobieski juist een katholieke. Daarbij zal duidelijk worden dat in beide gevallen sprake was van propaganda, en dat de receptie paste binnen een breder Europees discours over de twee helden. Toch zijn er ook belangrijke verschillen op te merken. In Polen-Litouwen diende de persoon van Maurits met name als voorbeeld en werd hij gebruikt om een politieke boodschap af te geven. De Nederlandse lof op Sobieski lijkt daarentegen vooral een uiting van solidariteit met een medegelovige, die de Europese Christianitas succesvol verdedigde. 

 

 

Biografie

Paul Hulsenboom (1990) studeerde Griekse en Latijnse Taal en Cultuur en Literatuurstudies aan de Radboud Universiteit Nijmegen en University of Oxford. Momenteel is hij promovendus aan de afdeling Nederlandse Taal en Cultuur aan de Radboud Universiteit. Hij specialiseert zich in vroegmoderne relaties tussen de Republiek der Verenigde Nederlanden en het Pools-Litouwse Gemenebest, receptiestudies, Neolatinistiek en vertaalstudies. Zijn proefschrift gaat over de ontwikkeling van Nederlandse denkbeelden over Polen-Litouwen en Pools-Litouwse denkbeelden over de Nederlandern gedurende de lange zeventiende eeuw. Hij heeft artikelen gepubliceerd over Latijnse bucolische poëzie, de receptie van de Poolse Neolatijnse dichter Sarbievius in de zeventiende-eeuwse Republiek en religieuze emblemen in Nederlandse en Poolse handschriften uit de zeventiende eeuw. Voor zijn onderzoek naar Sarbievius ontving hij in 2017 een prijs van de Academia Europaea Sarbieviana.


 

Judita Kuznik

De voorstelling van Japan in de Herinneringen uit Japan van Hendrik Doeff (1764-1837)

Sleutelwoorden: Doeff, Dejima, Japan, discoursanalyse

Hendrik Doeff was een Nederlander die in de jaren 1799-1817 op het Nederlandse handelskantoor op Dejima bij Nagasaki heeft gewerkt. Tijdens zijn verblijf in Japan veranderde de regering in Nederland enkele keren, maar Dejima staat ook bekend als het laatste bastion van Nederland na de annexatie van Nederland door Napoleon. Terwijl alle Nederlandse kolonies in Azië door de Britten werden bezet, bleef op Dejima de Nederlandse vlag wapperen. In de negentien jaren die Doeff in Japan heeft doorgebracht, heeft hij een groot aantal Japanse objecten verzameld en notities gemaakt, die echter op weg naar Europa tijdens een schipbreuk verloren gingen. Zijn Herinneringen uit Japan (1833) zijn gebaseerd op zijn ervaringen tijdens zijn verblijf op Dejima.

Deze case study tracht met behulp van de discoursanalyse een antwoord op de volgende vragen te vinden: wat voor een beeld van Japan werd in Herinneringen uit Japan gepresenteerd door Doeff, een man die ten opzichte van andere auteurs over Japan relatief lang in dit land verbleef? Hoe heeft Doeff een beeld gecreëerd van de Japanners en hun land? Wat voor bronnen heeft Doeff bij het schrijven van zijn boek gebruikt?

 

Biografie

Judyta Kuznik

Leerstoel voor Moderne Nederlandse Literatuur en Afrikaans

Leerstoel voor Nederlandse Filologie

Universiteit van Wrocław

judyta.kuznik(at)uwr.edu.pl

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Małgorzata Łyczykowska

Poolse kwestie in Nederland tijdens de Grote Oorlog. Persdiscours als middel van cultuurpropaganda

Sleutelwoorden: de grote oorlog, de eerste wereldoorlog, cultuurpropaganda, kennisoverdracht, kennistransfer, cultuurtransfer, persdiscours, pers, neutraliteit

Ter gelegenheid van de vieringen van honderd jaar Poolse onafhankelijkheid wordt de kwestie van de Grote Oorlog steeds vaker besproken in het publieke debat. Desalniettemin blijkt het feit onderbelicht dat “de Poolse kwestie” niet alleen op de door de Centralen ingenomen gebieden present was, maar ook in de neutrale landen. Nederland was een van de landen waar de kennisoverdracht over Poolse gebieden/Poolse cultuur plaatsvond, mede in het institutionele kader van instellingen die verantwoordelijk waren voor culturele propaganda en die tot stand zijn gebracht door zowel het Duitse Rijk als de Entente.

In de bijdrage wil ik mijn aandacht richten op de kennisoverdracht over “de Poolse kwestie” in het kader van perspublicaties bestuurd door de Centralen. De term “Poolse kwestie” betreft alles wat er in Polen en met Polen tijdens de Grote Wereldoorlog gebeurde. Het is ook verbonden met de plannen die de strijdende landen ten opzichte van Polen hadden, in de periode waarin Polen een onderhandelingstroef was in de politiek van de grootmachten.

 Hierbij wordt de journalistieke activiteit van Poolse journalist Sigismund Gargas (1876-1948) onder de loep genomen, op wiens initiatief het Poolsch Persbureau in Den Haag ontstond, dat met de ondersteunende eenheid in Den Haag samenwerkte, die onder het Duitse gezantschap ressorteerde. Op basis van de analyse van  archiefmateriaal (Politisches Archiv des Auswärtigen Amts in Berlijn, Archiwum Narodowe w Krakowie, Nationaal Archief in Den Haag) en persberichten gedigitaliseerd in de online database Delpher.nl wil de belangrijkste thema’s van Gargas z’n journalistieke activiteit toelichten alsook de gevolgen die het persdiscours in kwestie had op de beeldvorming van “de Poolse kwestie” in Nederland. Mijn analyse leidt ertoe de mechanismen te laten zien die in een neutraal land gebruikt werden om cultuurpropaganda te voeren.

Biografie

Mgr Małgorzata Łyczykowska studeerde Neerlandistiek, pedagogiek en psychologie aan de Adam Mickiewicz-Universiteit in Poznań. Aan deze universiteit, bij de Zakład Studiów Niderlandzkich en Południowoafrykańskich, is ze momenteel bezig met haar PhD-scriptie (begeleider prof. dr hab. Paweł Zajas) en geeft ze les praktisch Nederlands. Haar onderzoek richt zich op het beeld van Polen tijdens Wereldoorlog I in de Nederlandse pers, met de nadruk op cultuurpropaganda, -beleid en –transfer.

 

Elissaveta Manolova - Maciel

Vrouwenbeelden tussen culturen. Interculturele aspecten van de representatie van vrouwen in de tekstboeken Nederlands en Bulgaars als vreemde taal

Sleutelwoorden: vrouwenbeelden, representatie, beeldvorming, interculturele aspecten, tekstboeken

De representatie van vrouwen en mannen in kwantitatieve zin (hoeveel, hoe vaak) en de verschillende manieren waarop ze in beeld worden gebracht staan centraal in deze bijdrage die een analyse van tekstboeken Nederlands en Bulgaars als vreemde taal bevat. Het begrip representatie heeft naast de kwantitatieve betekenis (het aantal vrouwen en mannen) ook een kwantitatieve dimensie, waarbij de vraag wordt gesteld hoe vrouwen in beeld komen en of er sprake is van een stereotype beeldvorming.

 

Biografie

Elissaveta Manolova Maciel is werkzaam aan de Sveti Kliment Ohridski Universiteit van Sofia, bij de afdeling neerlandistiek.

 


István Németh

Opgeloste Raadsels: Opsporing naar in vergetelheid geraakte Hongaren, uitgaande van enige Nederlandse affiches en boekillustraties

Sleutelwoorden kunst, affiches, boekillustraties, Willy Sluiter, Jo Daemen, Joska Zunki, Marton Kulcsár, István Pártos

De veelzijdige Nederlands beeldend kunstenaar, Willy Sluiter (1873-1949) maakte onder andere ook vele affisches en voerde opdrachten voor reclame uit. Tussen 1913 en 1920 ontwierp hij bijvoorbeeld een hele reeks affiches voor de Larense ondernemer en hotelhouder, Jan Hamdorff, die tijdens de zomers van deze jaren kunsttentoonstellingen en muziekavonden organiseerde in zijn Hotel Hamdorff. Op deze werken van Willy Sluiter verschijnt vaak een vioolspelende zigeunerfiguur, een zekere Joska Zunki, die blijkbaar tot de attracties van deze bijeenkomsten behoorde. Maar wat kunnen we weten over deze, naar alle waarschijnlijkheid uit Hongarije stammende musicus?  Joska Zunki was overigens niet de enige Hongaar, wiens naam op het een of ander werk van Willy Sluiter verscheen. Uit de jaren 1920 stamt een zeer decoratief affiche van de kunstenaar, dat voor een Haagse winkel, meer precies voor het Kulcsar’s Perzisch Importhuis reclame maakte. „Kulcsár” is een typische en populaire Hongaarse familienaam. Een Hongaar in Nederland, die in Perzische tapijten handelt?  Wat kan men weten over deze Kulcsár? De vermelde affiches van Willy Sluiter dienden als uitgangspunt en inspiratieratiebron voor mijn verdere bronnenonderzoek, om iets over deze in vergetelheid geraakta Hongaren aan het licht te brengen.

Ook in soortgelijke, verbazingwekkende ontdekkingen resulteerden de wondermooie boekillustraties van de minder bekende Nederlandse grafisch ontwerpster, Jo Daemen (1891-1944), die zij voor een door haarzelf geschreven, een in 1927 gepubliceerd aardig sprookje vervaardigde. De bundel had de volgend titel: „De heilige vlam. Het sprookje van Stefan Pártos”. Weer en nogal Hongaars klinkende familienaam! Maar wie was hij eigenlijk, en waarom schreef en Hollandse kunstenares een sprookje over hem? Zoals het van verschillende contemporaine bronnen en latere memoires bleek, was István Pártos (1903-1920) en zeer begaafd Hongaars wonderviolist, die tijdens zijn kort leven het publiek niet alleen in Hongarije maar ook in het buitenland betoverde. Hij overleed op 17 jarige leeftijd, tijdens en tournee in Nederland……

 

Biografie

István Németh studeerde Kunstgeschiedenis, geschiedenis en neerlandistiek aan de ELTE Budapest. Momenteel is hij werkzaam als docent kunstgeschiedenis, cultuurgeschiedenis en iconografie aan de Karoli Gaspár universiteit te Boedapest. Hij is de auteur van diverse publicaties op het snijvlak van Nederlandse, Vlaamse en Hongaarse kunst.

 

Jelica Novaković - Lopušina

Nederlandse hulp aan Servie 1919-1920: het overbruggen van de oorlogsgevolgen

Sleutelwoorden: medische hulp, Eerste Wereldoorlog, ego-literatuur, beeldvorming

Het herdenken van de Eerste Wereldoorlog zou niet alleen de vier oorlogsjaren mogen omvatten maar ook de naweeën ervan. De gevolgen van de Grote Oorlog hebben namelijk veel langer geduurd dan de vijandelijkheden zelf, zeker in Servië dat naast België het meest geleden had qua slachtoffers en vernielingen. Hoewel Nederland neutraal is gebleven tijdens deze eerste globale botsing heeft het wel een humanistische, bruggenbouwende functie vervuld. Overwegend op particulier initiatief werden tussen 1914 en 1921 medische ambulances uitgezonden om het leed van de soldaten maar ook van de burgerbevolking enigszins te verzachten, en later om aan de wederopbouw van de gezondheidszorg mee te helpen. Verschillende Nederlandse artsen en verplegers hebben aan deze missies deelgenomen en sommigen hebben ook daarover bericht. Hun bevindingen leveren een interessante kijk op de toestand waarmee ze in aanraking kwamen en vertellen veel over de beeldvorming van die tijd.  Een van die schrijvende artsen was Dr J.H. Lieneman die voor het Algemeen Handelsblad een hele reeks afleveringen heeft geschreven over zijn verblijf in Servië in 1919-1920. Zijn bevindingen zijn een fascinerend tijdsdocument maar ook een verrassend goed geschreven relaas over het wel en wee van een staat in wording.

 

Biografie

Jelica Novaković-Lopušina is gewoon hoogleraar Nederlandse taal, literatuur en cultuur, oprichtster en hoofd van de Afdeling Neerlandistiek aan de Filologische Faculteit te Belgrado. Haar wetenschappelijke belangstelling gaat vooral uit naar beeldvormings- en receptieonderzoek. Ze is bekroond literair vertaalster, publiciste en hoofdredactrice van Erazmo, het jaarboek voor Nederlandse en Vlaamse literatuur in Servische vertaling.

 

Przemysław Andrzej Paluszek

Een brug naar arcadia. Bronkhorstspruitdam als locus amoenus in geselecteerde liedjes van Robbie Wessels.

Sleutelwoorden: locus amoenus, arcadia, Zuid-Afrika, hedendaagse popmuziek

Zowel arcadia als locus amoenus (lieflijke plaats) zijn in hun klassieke vorm (zoals gedefinieerd door o.a. E.R. Curtius) al lang in contemporaine cultuur niet aanwezig. Beide hebben diverse transformaties ondergaan. Sinds de 17e eeuw kan er bijv. sprake zijn van lokale of regionale arcadia’s (Van Heemskerck Batavische arcadia, 1637, Van den Bos Dordrechtsche arcadia, 1663), waar locus amoenus een andere ruimte is dan bij Vergilius, Ovidius en hun navolgers. Toch lijken er niet alleen zulke ruimtelijke elementen van arcadia als de natuur (i.t.t. de cultuur), het platteland (i.t.t. de stad) of de rust (i.t.t. de drukte) constant te zijn gebleven. Arcadische en pastorale motieven, die als een brug fungeerden tussen klassieke oudheid en contemporaine cultuur of tussen de Grieks-Romeinse en Bijbelse traditie, waren ook sinds de middeleeuwen aanwezig in muziekcultuur (traditionele volksmuziek, Carmina Burana, 17e- en 18e-eeuwse stukken geschreven door J.-P. Rameau of G.F. Handel)

In mijn bijdrage analyseer ik de liedjes van de Zuid-Afrikaanse zanger en acteur Robbie Wessels van zijn album Afrika Sonsak (2009, Zonsondergang in Afrika)]. In elk geanalyseerd muziekstuk wordt Bronkhorstspruitdam vermeld - een stuwmeer in de provincie Gauteng en tegelijkertijd ook het mekka van Zuid-Afrikaanse watersporters. Deze door de mens gecreëerde ruimte fungeert in de liedjes van Wessels als moderne Zuid-Afrikaanse arcadia: een plek van ontspanning (bijv. in “Afrika sonsak”), een tegenhanger van de West-Europese steden (“Liewe Ouers”) of als bijwerk in een liefdeslied(je) (“Stacey en Thysie”). Door de poging om de kenmerken van de veelgebruikte topos in de hedendaagse popmuziek op te sporen, probeer ik een brug te slaan tussen het klassieke en het (post)moderne, het hoge en het lage, het geïdealiseerde en het werkelijk-bestaande.

 

Biografie

Przemyslaw Paluszek (1985) is in 2009 afgestudeerd aan de Universiteit van Wrocław als neerlandicus. Tussen 2010 en 2016 was hij doctorandus bij die universiteit. Na een periode (2013-2016) bij de KU Lublin is hij verbonden aan de Universiteit van Opole, waar hij in het kader van de specialisatie Duits met Nederlands tot eind september 2019 colleges Nederlandse taalverwerving aan de studenten Germanistiek zal geven. In het academiejaar 2016-2017 werkte hij aan de Adam Mickiewicz Universiteit in Poznań. Sinds november 2018 is hij als senior lector (weer) aan deze universiteit verbonden. Werkend hoofdzakelijk als didacticus (Nederlandse taalverwerving, Zakelijk Nederlands) heeft Paluszek ook wetenschappelijke interesses waartoe o.a. de vroegmoderne Nederlandse literatuur en haar receptie in de negentiende eeuw, urban studies, en, laatstelijk, popcultuur behoren. Buiten de universiteit is hij actief als cultuur criticus in het kader van zijn Facebook-project ‘Kaszel w trakcie koncertu i oklaski między częściami’ (Hoesten tijdens het concert en handgeklap tussen de delen [van het muziekstuk]).

 


Orsolya Réthelyi

Metaforen en moeders: Hongaarse representaties van Koningin Wilhelmina in de jaren 1920

De kinderacties na de Eerste Wereldoorlog vormden en belangrijke culturele brug tussen Hongarije en Nederland in de twintigste eeuw. Nederland bood ondersteuning aan Hongarije en de Hongaarse kinderen in de vorm van voedseltransporten en de zogenaamde ‘kindertreinen’. Deze actie maakte het in de jaren 1920-1930 voor meer dan 60.000 hongerige en afgezwakte kinderen mogelijk om in Nederland op krachten te komen. De dankbaarheid van de Hongaren was enorm en dit kwam tot uiting in verschillende vormen van culturele producten. De metafoor van Koningin Wilhelmina als moeder van de Hongaren komen we in deze periode tegen in gedichten, toespraken, schilderijen, gedenkplaten enz. Koningin Wilhelmina als zich ontfermende ‘moeder’ van de Hongaren was een vertederend en ook logisch concept om de dankbaarheid van het land mee uit te drukken. Dit moederbeeld reflecteerde niet alleen de actuele situatie, maar droeg ook een wens in zich. Dat Hongarije verweesd was en haar kinderen honger en armoede leden, was ten dele te wijten aan het voor Hongarije catastrofale verdrag van Trianon. Zou Wilhelmina, en met haar de Nederlandse staat, een moeder voor de Hongaren kunnen zijn, die voor hen zou zorgen en hun belangen zou behartigen? De internationale netwerken die door de kinderhulpacties ontstonden, waren voor de Hongaarse staat van groot belang, niet alleen voor de daadwerkelijke steun aan de kinderen, maar ook voor het doorbreken van het politieke isolement waarin Hongarije internationaal beland was na de Eerste Wereldoorlog. Door deze casus zal ik in mijn lezing de complexiteit van hoe “Metafors we live by” – met de woorden van de cognitieve taalkundige, George Lakoff – het conceptualiseren van historische gebeurtenissen en culturele herinnering beïnvloeden.

Biografie

Orsolya (Orsi) Réthelyi studeerde Engelse Taal- en Letterkunde, Nederlandse Taal- en Letterkunde en Mediëvistiek, en behaalde haar doctoraalexamens aan de Universiteit Utrecht en de Central European University (CEU). Zij promoveerde cum laude in 2010 aan de CEU op een proefschrift over het hof van Maria van Hongarije (1505-1558). Sinds 2006 is zij docent Nederlandse letterkunde en cultuurgeschiedenis aan de Vakgroep Neerlandistiek van de Eötvös Loránd Universiteit Boedapest (ELTE) waar zij in 2016 gehabiliteerd is. Daarnaast is zij sinds 2016 bij het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis als onderzoeker verbonden aan het project Eastbound. The Distribution and Reception of Translations and Adaptations of Dutch-language Literature, 1850-1990. Zij was, samen met Ton van Kalmthout en Remco Sleiderink, coördinator van het onderzoeksproject Beatrijs Internationaal, dat gericht was op vertalingen en bewerkingen van het Middelnederlandse verhaal (2009-2012). Zij coördineerde vervolgens het NWO-internationaliseringsproject The Circulation of Dutch Literature (CODL), samen met Elke Brems en Ton van Kalmthout (www.codl.nl).

 

Anna Sikora - Sabat

Egodocumenten van de nakomelingen van Olędrzy in Polen en de vorming van het culturele geheugen

Sleutelwoorden: egodocument, monografie, trauma, emigratie, postherinnering, cultureel geheugen

In 1992 ontwikkelde Marianne Hirsch het concept ‘postmemory’. Postmemory wordt gezien als een overdracht van culturele of familiale (traumatische) herinneringen van generatie   op   generatie.   Het   is   een   krachtige   (post)herinnering   die   gevormd   wordt   door representatie  van  een  herinnering  of  een  trauma. In dit artikel wordt  een emigratieproces van Olędrzy (Hollanders) uit Polen (o.a. naar Australië) als zulke traumatische ervaring beschouwd. Olędrzy (Hollanders) waren de immigranten uit Noordwest Europa, ook Vlaanderen en Friesland, die zich vanaf de 16e in Polen vestigden. Ze vormden zelfstandig georganiseerde gemeenschappen en ze werden bedeeld met bepaalde rechten, o.a. persoonlijke vrijheid en eeuwigdurende pacht. Ze behielden hun persoonlijke vrijheid, taal en eigen religie (luthers of mennoniet).  Vanaf de 19de eeuw, vanwege verschillende politieke factoren, begonnen deze aspecten (vooral religie en taal)  problematisch te zijn, wat tot grote emigratiebewegingen leidde. De kolonisten uit Groot-Polen emigreerden in de 19de eeuw; de kolonisten uit Żuławy Wiślane woonden in Polen tot 1945. In dit artikel analyseer ik twee monografieën van afstammelingen van Olędrzy en ik wijs uit dat er echt sprake van postmemory is.

 

Biografie

Dr Anna Sikora-Sabat werkt aan Adam Mickiewicz Universiteit in Poznań, Polen. Ze is neerlandica en kunsthistorica, bezig met een onderzoek naar een plaats van de Nederlandse culturele erfenis in Polen in het Poolse culturele geheugen.

 

Joanna Skubisz

De Heilige Familie betovert in blauw-wit: Bijbelse verhalen op de Nederlandse tegels in het Silezische paleis Pakoszów – Wernersdorf (Polen)

Sleutelwoorden:  Nederlandse tegels, Bijbelse voorstellingen, het paleis Pakoszów

Nederlandse tegels bieden aan onderzoekers een breed spectrum aan onderwerpen en motieven waaronder ook Bijbelse voorstellingen die rond het midden van de zeventiende eeuw zeer populair zijn geworden. De voorliefde voor Bijbelse taferelen ontwikkelde zich door de hele zeventiende en achttiende eeuw. De belangstelling voor de Bijbeltegels groeide  samen met de ontwikkeling van het piëtisme in de Protestantse Kerk. Men kon ze vooral in de huizen van doopsgezinden bewonderen. Voor vrome mensen waren ze vaak de manier om het eigen geloof te versterken – een soort van brug tussen de woorden van de Bijbel en hun vroomheid.

In mijn bijdrage zal het bovenstaande onderwerp worden geanalyseerd met gebruik van de collectie Nederlandse tegels aanwezig in het Silezische paleis Pakoszów – Wernersdorf in Polen. Silezië waar het paleis zich bevindt, is een historische regio waarvan lotgevallen zeer ingewikkeld waren: tegenwoordig behoort dit gebied (grotendeels) tot Polen maar in de zeventiende eeuw hoorde het bij het Habsburgse Rijk. In de achttiende eeuw is Silezië het bezit van het Koninkrijk Pruisen geworden.

Onder de tegels met Hollandse landschappen (vol molens, bruggen en schaatsers), genretaferelen of dieren, die zich in een voormalige rookkamer van het paleis bevinden, kan men ook een groep van Bijbeltegels onderscheiden. De meeste presenteren verschillende scénes uit het Nieuwe Testament en vertellen verhalen over het leven van Jezus. Daarnaast worden er ook enkele gebeurtenissen uit het Oude Testament en de Apocriefen afgebeeld. In mijn lezing zal worden onderzocht welke Bijbelse taferelen er worden getoond. Wat was de functie van deze tegels en om welke reden werden ze vervaardigd en gekocht? Ik zal proberen onderzoek te doen naar de manier waarop ze door de Nederlandse en buitenlandse eigenaars werden beschouwd. Aan de ene kant kunnen de Bijbeltegels aantonen hoe de Nederlandse ambachtslieden de sfeer van sacrum begrepen. Anderzijds vervulden ze (ook in het buitenland) een didactische functie. Daarbij poog ik te tonen dat ze een soort van visuele representatie van Bijbelse verhalen vormden.

Biografie

Joanna Skubisz is als adjunct verbonden aan de Erasmus Leerstoel voor Nederlandse Filologie aan de Universiteit van Wrocław (Polen). Zij is gepromoveerd op een proefschrift over de Nederlandse emblematabundels uit de zeventiende eeuw in de collectie van de Universiteitsbibliotheek Wrocław. Haar hoofdinteressegebieden betreffen vooral de Nederlandse cultuur en letterkunde van de vroegmoderne tijd en de relaties tussen Silezië, Polen en Nederland in die periode.

 


Mathilda Smit

Rap as brugbouende podium-fenomeen? ’n Ondersoek na die  wisselwerking tussen Suid-Afrika en die Lae lande rakende rap, deur te kyk na die gevallestudie van Jack Parow en die Nederlandse duo De Kraaien.

Sleutelwoorden: Rap, Kletsrym, kulturele wisselwerking, Suid-Afrika, Nederland

Die fenomeen van Nederhop as gelokaliseerde podiumvorm, gesitueer in ’n globale kultuur van hiphop word ondersoek. In Nederrap – soos in alle ander vorme van rap oor die wêreld heen – is poësie aangepas vir ʼn nuwe generasie met nuwe estetiese voorkeure en behoeftes. Rap bied ekstra podiums deur die kultuurvorme van letterkunde en musiek te vermeng. ’n Belangrike vraagstuk is die sosiale rol en betrokkenheid wat in onder andere Nederhop gevind word. Hierdie referaat ondersoek die samewerking tussen die Suid-Afrikaanse kletsrymer, Jack Parow en die Nederlandse duo De Kraaien op die eersgenoemde se kortspeelalbum From Parow with love (2016). Die vraag wat ek vra is of dié samewerking as brugbouend beskou kan word, rakende vlakke van taal, kultuur en sosiopolitieke omstandighede. Ek kyk spesifiek na hul lied “Kattenkwaad” van die bogenoemde album en voorspel dat die fenomeen van podiumpoësie en dan spesifiek in die geval rap/kletsrym, ’n unieke blik op die wisselwerking tussen die literêre en kulturele sisteme van Suid-Afrika en Nederland bied.

 

Biografie

Mathilda Smit is werkzaam in Zuid-Afrika aan de Universiteit van Bloemfontein.

 


Lada Vukomanović - Imaginaire geografieën van Oost-Europa - Joegoslavië en Tsjechoslowakije

Sleutelwoorden: imagologie, ethnotypes, de ander, imaginaire geografie, oost-europa, digital humanities, GIS en letterkunde, literaire kartografie, spatial turn

De ruimte en zijn representaties worden in de geesteswetenschappen steeds meer in acht genomen sinds de zgn. spatial turn. Verder wordt er met de groeiende populariteit van digital humanities steeds meer aandacht besteed aan digitale onderzoeksmethodes die nieuwe perspectieven kunnen leveren voor een letterkundig onderzoek. De imagologie is maar één van de wetenschappelijke velden waarin deze ontwikkelingen nieuwe mogelijkheden kunnen bieden. 

In mijn bijdrage worden de representaties van ruimte in Joegoslavië en Tsjechoslowakije, twee Oost-Europese landen met complexe nationale/culturele identiteiten die ongeveer in dezelfde periode bestonden, onder de loep genomen. Hierbij ga ik uit van de principes van het post-essentialistisch imagologisch onderzoek zoals geformuleerd in het ‘Akens programma’. Daarnaast probeer ik mijn onderzoek te plaatsen binnen het veld van de digital humanities. Ik gebruik onderzoeksmiddelen van de computationele letterkunde om op basis van een vrij beperkt digitaal corpus een literaire kaart van Oost-Europa te creëren.  Door toepassing van een kwantitatieve analyse van teksten en de resulterende visualisaties probeer ik de volgende vragen te beantwoorden:

Wordt Oost-Europa als een homogene entiteit in de Nederlandse literatuur gepresenteerd? Of zijn er bepaalde verschillen in de literaire representaties van Oost Centraal-Europa en de Balkan (wat Todorova “hiërarchie van Oost-Europa” noemt)? Hoe positief of negatief is de culturele waardering en hoe verhoudt zich de ruimte tot die waardering? Waren de representaties van deze twee landen onderhevig aan verandering door de loop van de 20ste eeuw? Indien wel, kunnen dan deze wendingen in verband worden gebracht met hun historische context? Onlosmakelijk van de analyse van een beeld van de Ander is de kwestie van het zelfbeeld als een construct dat per regel ontstaat in confrontatie met de Ander. Mijn taak is dus ook een Nederlandse culturele identiteit te ontdekken in het Oosten van Europa.

 

Biografie

Sinds oktober 2018 ben ik promovenda aan de Karelsuniversiteit Praag. Daarvoor was ik 6 jaar als assistente Nederlandse letterkunde werkzaam bij de vakgroep Neerlandistiek te Belgrado. Voor mijn proefschrift ben ik bezig met de beeldvorming omtrent Joegoslavië en Tsjechoslowakije in de Nederlandse literatuur.

 

Michał Wenderski

Wanneer politiek de kunstenaars in de weg staat: een onverwacht gevolg van de Poolse Maart 1968

1968 was een turbulent jaar in veel Europese landen, waaronder ook in Polen. In maart ’68 vond er in Polen een serieuze politieke crisis plaats, die niet alleen gekenmerkt werd door studentenprotesten zoals die in het Westen, maar ook door een grootschalige antisemitische regeringsactie onder de naam ‘antizionisme’. Deze onbegrijpelijke gebeurtenissen en talrijke repressies tegen de Joodse bewolking, alsmede tegen academici en studenten, bleven niet onopgemerkt in het buitenland waar de publieke opinie deze schandelijke daden en handelingen van de Poolse communistische regering volledig veroordeelde.

In mijn bijdrage zal ik een zeer interessant voorbeeld bespreken van de internationale voortvloeisels van de bovengenoemde ontwikkelingen in Polen en hun invloed op de kunstwereld. Centraal voor mijn case studie staat de geplande tentoonstelling van Poolse kunst – met onder andere de toen al bekende Poolse Affiche School – die in de zomer van 1968 in Groningen plaats zou vinden. Ongeacht het feit dat deze tentoonstelling al in een zeer gevorderd voorbereidingsstadium was, werd zij bruusk geannuleerd onder druk van de lokale bevolking die de antizionistische campagne in Polen afkeurde.

Op grond van uniek archiefmateriaal betreffende de organisatie van de Groningse tentoonstelling zoals persartikels, brieven en andere documenten, doe ik een poging om deze kwestie stap voor stap te reconstrueren en er wat meer licht op te werpen. Zo zal ik aantonen hoe de wereld van politiek, internationale betrekkingen en die van kunst met elkaar verbonden zijn, en hoe dat zich kan manifesteren.

 

Biografie

Michał Wenderski, PhD, is assistant professor aan de Vakgroep Nederlands van de Adam Mickiewicz Universiteit te Poznań. Zijn doctoraal onderzoek richtte zich op de relaties tussen Poolse, Nederlandse en Vlaamse esthetische avant-garde in de eerste helft van de twintigste eeuw. Zijn habilitatieproject beoogt verder onderzoek naar de Pools-Nederlandse connecties na de tweede wereldoorlog. Recentelijk publiceerde hij zijn eerste boek “Cultural Mobility in the Interwar Avant-Garde Art Network: Poland, Belgium and the Netherlands” (Routledge, 2018).
Literatuur en literair vertalen – abstracts met biografie

Mathieu Bokestael

Voorstel tot een semiotische en ahistorische lezing van de Nederlandstalige poëzie: kritiek op rationalisme en postmoderne kenmerken in de poëzie van Herman de Coninck en C. Buddingh.

Critici als Stephen Greenblatt of Fredric Jameson hebben overtuigend de waarde van historiserende en ge(her)contextualiserende interpretaties van literatuur beargumenteerd. Deze paper wil het belang van deze historiserende invalshoeken niet tegenspreken, maar wil wel het nut van ahistorische en zelfs misschien anachronistische perspectieven op Nederlandstalige poëzie aankaarten. Deze kunnen immers nieuwe en onverwachte interpretatielagen openbaren. De paper onderzoekt twee gedichten van twee dichters die gewoonlijk als erg traditioneel worden beschouwd:‘Poëzie’ van Herman de Coninck en ‘Natuurkunde’ van C. Buddingh. Aan de hand van een close reading van de primaire teksten wordt duidelijk hoe in beide gedichten nieuwe betekenislagen ontstaan door de vormelijke en thematische opposities in de teksten. Zo wordt al snel duidelijk hoe deze gedichten kritiek leveren op een zowel al te rationalistische interpretatie van de werkelijkheid (d.i. de moderniteit) als op een mythologische verklaring ervan (d.i. de premoderniteit). Dit doen ze door de narrativiteit van elk interpretatiekader aan te kaarten, een kenmerk dat gewoonlijk als ‘postmodern’ wordt beschouwd. Toch zouden de respectievelijke dichters nooit als postmodernistisch bestempeld worden, hetzij omdat ze niet in het bijhorende tijdvak horen, hetzij omdat ze er gewoonlijk als te traditioneel voor worden beschouwd. Tegelijk is de paper dus ook een aanmoediging en herinnering om literaire stromingen en de literaire geschiedenis niet als een uniform, homogeen en onveranderlijk geheel te beschouwen en om hun a posteriori, narratieve, geconstrueerde en historisch contingente karakter in gedachte te houden.

Biografie

Mathieu Bokestael studeerde westerse literatuur (2013-2014) en culturele studies (2014-2015) aan de Katholieke Universiteit Leuven. Sindsdien is hij actief in de culturele wereld (o.a. Passa Porta Festival 2015, Cinema Bioscoop Festival Brussel 2015, Cinema Bioscoop Festival Riga 2017) en de internationale neerlandistiek (Jawaharlal Nehru University, Delhi, 2016 en Latvian Academy of Culture, Riga, 2016 – 2019). Hij is vooral geïnteresseerd in de snijpunten tussen kunst en literatuur enerzijds, en twintigste-eeuwse filosofie en culturele en politieke theorie anderzijds. Daarnaast schrijft hij geregeld voor het magazine MO*. In deze populairwetenschappelijke teksten bespreekt bij de actualiteit a.d.h.v. de literatuur en theorie.

 

Martyna Borowska

Frank Westerman in een internationaal en nationaal perspectief.

Sleutelwoorden: Frank Westerman, parateksten, periteksten, epiteksten, literaire veld, Genette, Bourdieu, wereldvertaalstelsel, Heilbron

Op de Nederlandse boekenmarkt is een sterke positie van non-fictie zichtbaar. Het betreft hier een bijzondere belangstelling voor dit genre sinds de jaren 90 zowel van uitgeverijen als van de lezers. Beide partijen zorgen voor opvallende statistieken: non-fictie was in het jaar 2015 het best verkopende genre met 16,7 miljoen exemplaren. 

Dit verschijnsel is op het wetenschappelijke gebied niet onopgemerkt gebleven en tot op heden werden er verschillende studies gedaan naar actoren van het literaire veld waarin non-fictie als genre heerst. Wat het Nederlandse non-fictieschrijvers landschap betreft, is het merkbaar dat Frank Westerman grote nationale aandacht krijgt die ook in de internationale dimensie zichtbaar is. Toch zijn de gedane onderzoeken eerder voornamelijk op de grens tussen fictie en non-fictie gericht. Hoewel de door Westerman gebruikte parateksten wel ter sprake komen, kan dat in een dieper en internationaal perspectief geanalyseerd worden.

Het doel van dit casestudieonderzoek is tweedelig. Ten eerste om deze parateksten in het inter- en nationale kader te laten zien, ten tweede om hun invloed te proberen analyseren. In het nationale perspectief zullen eerst deze periteksten getoond worden die in de context van het referentiële pact relevant zijn en die Westermans positie als non-fictieschrijver versterken. De gekozen elementen zijn o.a. boekomslagen (incl. de daarop gedrukte recensies en biografische nota’s), informatie op de schutbladen, kaarten, bepaalde hoofdstukken en de bijgesloten illustraties.

In het internationale perspectief zal gekeken worden naar welke talen Westermans boeken worden vertaald en welke status ze innemen volgens het wereldvertaalstelsel van Johan Heilbron. Verder werd er in dit kader voor de volgende epiteksten gekozen: buitenlandse recensies, discussies over de auteur zelf en de gekregen buitenlandse bekroningen. Uit de getrokken conclusies van deze studie zal er gepoogd worden om de positie van Frank Westerman zowel in het nationale als internationale literaire veld te bepalen.

Biografie

Martyna Borowska (1994) ging in 2013 Nederlands studeren aan de Adam Mickiewicz-Universiteit te Poznań. Drie jaar later behaalde ze haar bachelordiploma met haar thesis over de Nederlandse tolerantie. Tijdens haar masterfase besloot ze haar aandacht op non-fictie en het belang van parateksten te richten. Verder nam ze tweemaal deel aan halfjaarlijkse uitwisselingsprogramma’s, namelijk een Ceepus-uitwisseling aan de Universiteit van Wenen in 2015 en een Erasmus-uitwisselingsprogramma aan de Universiteit Leiden in 2017.

 

Bojana Budimir

Dynamiek van literaire uitwisseling tussen (semi)perifere talen: Servische vertaalproductie vanuit het Nederlands

Sleutelwoorden: polysysteemtheorie, perifere talen, vertaalgeschiedenis, literaire uitwisseling

Vertalen is een complexe activiteit die wordt beïnvloed door allerlei factoren zoals talencombinatie, culturele betrekkingen, motivatie en opvattingen van de vertalers maar ook door maatschappelijke context waarin de activiteit plaatsvindt. Daarboven kan de vertaalproductie beschouwd worden niet alleen als een onderdeel van één cultuur en één maatschappij maar het behoort eveneens tot een breder ofwel globaal systeem. Binnen dit globale systeem nemen literaire systemen een bepaalde positie in, en deze positie kan centraal of perifeer zijn. Verscheidene onderzoeken hebben aangetoond dat er bepaalde tendenties bestaan in de literaire uitwisseling tussen talen, afhankelijk van de positie van de literaire systemen binnen het globale systeem. Toch worden in de meerderheid van de onderzoeken een van de centrale talen beschouwd, terwijl de (semi)perifere talen over het hoofd gezien worden (Pieta, 2016).

 

Het doel van dit onderzoek is om juist de dynamiek van literaire uitwisseling tussen twee perifere talen, met name Nederlands en Servisch, te beschrijven en de meest belangrijke factoren die een rol spelen bij de selectie en productie van vertalingen vast te stellen. Het model waarop dit onderzoek is gebaseerd wordt gedeeltelijk overgenomen van Pięta (2016) en wordt opgebouwd rondom vier centrale vragen: Wanneer werd er vertaald en waarom? Wat werd er vertaald en waarom? Door wie werd er vertaald en waarom? Door wie zijn de vertalingen uitgegeven en waarom? Daarnaast zullen de verkregen resultaten vergeleken worden met de conclusie van de bestaande onderzoeken in dit veld. Daardoor hopen we om bepaalde tendenties vast te stellen die kenmerken zijn voor de literaire uitwisseling tussen (semi)perifere talen. 

 

Biografie

Bojana Budimir studeerde in 2008 af aan de vakgroep Neerlandistiek van de Filologische Faculteit te Belgrado. Sinds 2008 is ze werkzaam als externe medewerkster aan de vakgroep Neerlandistiek te Belgrado waar ze vertalen en taalverwerving doceert. In 2009 heeft ze haar masterstudie Nederlandse letterkunde afgerond en in 2012 begon ze aan haar doctoraatsopleiding. In het kader van haar doctoraatsonderzoek houdt ze zich bezig met vertaalproblemen bij het vertalen van cultuurspecifieke elementen in de vertalingen van Nederlandstalig proza naar het Servisch.

 

Adam Bžoch

Het begrip van conversatie van Hugo Grotius

De voordracht stelt een bijdrage tot de cultuurgeschiedenis van de conversatie als vorm van onpragmatische, vrije en plezierige verbale communicatie voor. De auteur analyseert de dialoog van de beroemde Nederlandse geleerde Hugo de Groot (1583—1645) ´T Samen-spraek tusschen vader ende soon, over de deught van weynigh spreken (1619) en toont sommige fundamentele samenhangen tussen De Groot´s begrip van conversatie, het Calvinisme en het classicisme, maar ook zijn persoonlijke ervaring met de politieke werkelijkheid van de Republiek tijdens de eerste decennia van de 17e eeuw.

 

Biografie

Adam Bžoch studeerde Duits en Nederlands aan de Karl-Marx-universiteit te Leipzig. Vanaf 1989 werkte hij als wetenschappelijk aspirant bij het Instituut voor de Wereldliteratuur van de Slowaakse Academie der Wetenschappen in Bratislava, waaraan hij sinds 1996 verbonden is als wetenschapper. Hij was ook redacteur van de tijdschriften Tvorba T (1990-1991) en Slovenské pohľady (1991 - 1993) en extern redacteur van de bijlage van de Slowaakse krant SME en hoofdredacteur van Studia Slavica (1999).

In 1995 verdedigde Bžoch zijn proefschrift over Walter Benjamin en de reflexie van de esthetische moderniteit. Tussen 1996 en 1999 doceerde hij geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur van de 20e eeuw en een vertaalcollege Nederlandstalige literatuur bij de leerstoel Germanistiek, Neerlandistiek en Scandinavistiek aan de Filosofische Faculteit van de Comenius Universiteit in Bratislava. In 2002 zette hij zich in voor de oprichting van het Nederlands lectoraat bij de Leerstoel Germanistiek aan de Filosofische Faculteit van de Katholieke Universiteit in Ružomberok waar hij werkt. Tegelijkertijd is hij ook directeur van het Instituut voor de Wereldliteratuur bij de Slowaakse Academie van Wetenschappen.

 


Bozena Czarnecka

Midden op een wankelende brug. Over psychiatrische romans van Myrthe van der Meer

Sleutelwoorden: depressie, burn-out, suicidale gedachten, psychiatrische instelling

In mijn lezing wil ik me buigen over twee romans van Myrthe van der Meer, PAAZ (2012) en UP (2015), die samen een autobiografisch getint “psychiatrisch” tweeluik vormen.

In beide boeken staat het verhaal centraal over een vrouw die van de ene op de andere dag controle verliest over haar leven. Ze belandt voor een langere periode in een psychiatrische instelling om daar een inzicht proberen te krijgen in wat er eigenlijk met haar gebeurd is/ gebeurt. Op haar moeizame weg naar herstel moet zij eerst haar psychische toestand gaan accepteren wat ook – zeker in het begin - reuze tegenvalt. Later blijkt ook dat het herwinnen en behouden van psychische stabiliteit in haar geval onbereikbaar blijft; ze bevindt zich eerder continu midden op een wankelende brug.

De romans van Myrthe van der Meer bevatten een actuele en goed herkenbare problematiek, ze handelen namelijk over gevolgen van stressgerelateerde stoornissen. Aan de hand van die teksten wil ik twee kwesties bespreken. Ten eerste ben ik van plan om het beeld van enkele “modieuze” psychische aandoeningen (o.a. burn-out en depressie) te gaan analyseren. En ten tweede wik ik gaan kijken hoe Myrthe van der Meer het motief van de psychiatrische inrichting gebruikt en modificeert en hoe haar romans aansluiten bij de klassiekers uit de Nederlandse literatuur met een vergelijkbare (psychiatrische) thematiek (o.a. Arends, Biesheuvel).

 

Biografie

Dr hab. Bożena Czarnecka werkt aan de Erasmusleerstoel voor de Nederlandse Filologie aan de Universiteit van Wrocław (Polen). Zij verzorgt daar colleges moderne Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap. Haar wetenschappelijke hoofdinteresses gaan uit naar o.a. populaire literatuur en cultuur, vrouwenliteratuur en literatuur over de Tweede Wereldoorlog.

 

Anikó Daróczi

Wat zien we in de spiegel?

Enkele maanden geleden heb ik een ooit begonnen en onderbroken onderzoek weer opgepakt. Het gaat om het motief van kinnisse in laat-middeleeuwse teksten. De betekenis van het woord is rijk geschakeerd. Waar ik bijzonder in geinteresseerd ben is de betekenis van kinnisse in de kontext van wanhope of mistrooste, het equivalent van het Latijnse desperatio, een toestand van de mens die noodzakelijk is op de weg die naar de reiniging van de ziel leidt. Op de pelgrimstocht van de ziel is nieuwe hoop is niet mogelijk zonder wanhoop, en zonder hoop is geen verlossing, geen bevrijding, geen consolatio mogelijk.

De meest voor de hand liggende tekst waarin kinnisse onderzocht kan worden is natuurlijk Elckerlijc, die men als een gedramatiseerde ars moriendi-tekst beschouwt. In Elckerlijc speelt Kinnisse als personage een cruciale rol, zij treedt op in de diepste toestand van wanhoop waarin Elckerlijc zich bevindt. Om deze toestand beter te belichten, onderzoek ik het wanhoop-motief in middelnederlandse ars moriendi-teksten (Een scone leeringhe om salich te sterven en middelnederlandse vertalingen van werken van Jean Geron), en voorbeelden uit spiegelliteratuur-teksten ((Spieghel der sonden van Jan de Weert, Spieghel der volcomenheid van Hendric Herp en Tafel van de Kersten Ghelove van Dirc van Delf).

Hoe kan kinnisse uit Elckerlijc door deze spiegels geinterpreteerd worden? Is het juist om het woord eenvoudigweg met “zelfkennis” te vertalen? Is zelfkennis mogelijk door in de spiegel(literatuur) te kijken? Wat zien we in deze spiegels?– Hoe denkt men hierover in de decennia ná het ontstaan van Elckerlijc? Om een idee te geven van de complexiteit van de vraag, doe ik een poging om Elck van Pieter Bruegel te interpreteren, waarin Elck en Niemant te zien zijn, op zoek naar zichzelf, met bril op en spiegel in de hand.

Biografie

Anikó Daróczi (1967) is docente Nederlandse literatuur op de Károli Gáspár Universiteit te Boedapest. Ze is gepomoveerd op het proza van Hadewijch (KU Leuven, 2005). Haar onderzoeksgebied is historische letterkunde, momenteel is ze een boek aan het schrijven over het thema van zelfkennis in de oude Nederlandse literatuur. Ze is tevens literair vertaalster, naast oude literatuur - vooral het proza en poezie van Hadewijch - vertaalt ze ook modern proza en poezie (tussen 2001 en 2013 ook vanuit het Hongaars naar het Nederlands in samenwerking met Ellen Hennink). Ze doceert vooral historische letterkunde vanuit verschillende invalshoeken, poezieanalyse en lterair vertalen. Sinds 2010 is ze hoofd van de Vakgroep Neerlandistiek van de KRE.

 

 

Paul Demets

Paul Snoek: bruggen bouwen en afbreken

 

In 1955 publiceert de Vlaamse dichter Paul Snoek (1933-1981) zijn tweede bundel, Noodbrug. Vanuit de microscosmos die het lyrisch subject in de debuutbundel Archipel (1954) bewoont, is er een verlangen ontstaan om die afgesloten wereld te openen en een brug te slaan naar de medemens. Hij richt zich vanuit die behoefte tot de bloemen, die voor hem een noodbrug van taal vormen. Werkintern krijgen we dus het beeld van een dichter die harmonie nastreeft en die wil communiceren.

Maar werkextern ontstaat er een ander beeld: enerzijds van iemand die bruggen opblaast en anderzijds van iemand die bruggen wil bouwen, maar dan vooral om via het etaleren van literaire verwantschap zichzelf te profileren.

In 1953 wordt Paul Snoek door de oudere dichter Adriaan De Roover geïntroduceerd in het literaire tijdschrift De Tafelronde. Maar een jaar later al stapt hij op en schrijft hij in een brief aan journalist en bezieler van het tijdschrift Tijd en Mens Jan Walravens: ‘Om over De Tafelronde te spreken, u weet dat ik die mensen ben beginnen haten.’ Eind 1954 wordt Snoek redacteur van het avant-gardtijdschrift Gard Sivik, op voorstel van Gust Gils. Snoek houdt dat bruggen bouwen niet lang vol. Uit zijn afscheidsbericht in 1957 aan Gils blijkt dat hij het tijdschrift als een instrument beschouwde om zijn positie als experimenteel dichter te bevestigen: ‘Mij persoonlijk boezemt het geen verder belang in, dat het worde wat het wil.’

Met andere woorden: de werkinterne en de werkexterne posture van Paul Snoek verschillen van elkaar. Literatuursocioloog Jéröme Meizoz muntte het begrip posture, waarmee hij de literaire identiteit bedoelt die de auteur construeert, zowel binnen als buiten zijn werk. Om het imago van Paul Snoek als ‘literaire macho’ te nuanceren, is het interessant om even na te gaan hoe hij zich in de periode 1954-1957 in zijn poëzie en in de literaire wereld presenteert.

Biografie

Paul Demets is lector aan de School of Arts (Hogeschool Gent) en onderwijsdidacticus aan de Universiteit Gent. Hij werkt aan een studie van de posture van de Vlaamse dichter, proza-auteur en beeldend kunstenaar Paul Snoek. Hij is dichter. In het najaar van 2018 verscheen zijn nieuwe bundel De klaverknoop (De Bezige Bij, Amsterdam). Daarnaast publiceert Paul Demets regelmatig over poëzie, theater en beeldende kunst in tijdschriften als Awater, Poëziekrant en Ons Erfdeel. Hij is poëzierecensent voor De Morgen en schrijft maandelijks een poëziekroniek voor de digitale Republiek der Letteren van Vrij Nederland.

 

 

Sonya Dimitrova

Het vrouwelijke en het mannelijke in het kader van de identiteit en de andersheid in de romans van Tommy Wieringa Joe Speedboot, Caesarion en Dit zijn de namen

 

Sleutelwoorden: het vrouwelijke, het mannelijke, andersheid, identiteit, seksualiteit, stereotypen, seksisme

 

Het onderwerp van mijn dissertatie is Identiteit en andersheid in de romans van Tommy Wieringa Joe Speedboot, Caesarion en Dit zijn de namen. Essentieel voor mijn onderzoek zijn onder andere de uiteenlopende immersies van het vrouwelijke en het mannelijke als categorieën die doorslaggevend zijn voor de identiteitsvorming van het individu en tegelijkertijd representerend voor de andersheid par excellence namelijk het andere dan het eigen geslacht. Daarbij ligt het accent in de drie werken vooral op de moeder-zoon binding en op de seksualiteit. Een narratologische kijk op de romans laat meteen zien dat alle focalisatoren mannelijk zijn. Interessant is in dit opzicht de representatie van de vrouwelijke protagonisten. Zij verschijnen in de rollen - vriendin, vrouw, moeder, dochter. Overwegend zijn het beeld van de vrouw als seksuele partner en het beeld van de moeder. In beide gevallen zijn er op tekstueel niveau, bijv. wat de woordkeuze betreft, talrijke bewijzen van stereotypering, vrouwonvriendelijkheid of zelfs seksisme. Een belangrijk thema is ook de gestoorde persoonlijkheidsontplooiing van een groot deel van de personages vanwege destructieve denk- en gedragspatronen geërfd van de ouders met name – van de moeder. Gezien vanuit een psychoanalitisch perspectief is dit nauw verbonden met de seksuele ontwikkeling van het individu en de perceptie van en de omgang met het andere geslacht. Uiterst stereotiepe of seksistische uitlatingen over vrouwen gemaakt door de mannelijke protagonisten laten direct zien hun verhouding tot het andere geslacht bepaald door de oorspronkelijke wisselwerking van het vrouwelijke en het mannelijke in de relatie tussen de ouders.

 

Biografie

Sonya Dimitrova is verbonden als promovenda aan Universiteit van Veliko Tarnovo – Bulgarije. sonya.m.dimitrova(at)gmail.com  

Małgorzata Dowlaszewicz - “Stichting Literatura” en “Writers Unlimited” – heen en weer tussen Nederland en Polen

 

Sleutelwoorden: cultuurtransfer, literair festival, stichtingen, promotie van literatuur

In 2014 werd “Stichting Literatura” opgericht die als één van haar belangrijkste doelen noemt “het bekend maken van de Poolse literatuur en cultuur aan een breder publiek in Europa, in het bijzonder in Nederland, België en Luxemburg en het bekend maken aan een breder publiek in Polen van de Nederlandse en Vlaamse literatuur en cultuur”. In haar kort bestaan heeft de stichting al meerdere keren samengewerkt met de stichting “Writers Unlimited”. Dankzij deze samenwerking konden Poolse schrijvers aan het internationaal literatuurfestival “Winternachten” in Den Haag deelnemen: Witold Szabłowski, Joanna Bator en Piotr Ibrahim Kalwas.

In mijn presentatie wil ik de samenwerking tussen “Stichting Literatura” en “Writers Unlimited” kritisch bekijken met het oog op de keuze van auteurs, de politieke kaders van deze keuzes, de eventuele overheidssteun of de positionering van Poolse auteurs in het internationale programma van het festival “Winternachten”. Zo mogelijk wordt ook gekeken naar de significantie van de aanwezigheid van Poolse schrijvers in Den Haag: heeft hun bezoek reacties voortgebracht? Kregen de geselecteerde schrijvers nadien ook meer aandacht in het Nederlandstalige gebied? De analyse wordt gedaan op grond van zowel officiële informatie van beide stichtingen, de overheidsberichten (in Nederland en Polen) en interviews met de leden van Stichting Literatura.

 

Biografie

Dr. Małgorzata Dowlaszewicz is universitair hoofddocent bij de vakgroep Nederlandse Filologie te Wrocław. Ze houdt zich bezig met Middelnederlandse literatuur en de circulatie ervan in Polen en heeft ook samengewerkt aan vertalingen van een aantal (middeleeuwse) teksten.

Correspondentieadres: Katedra Filologii Niderlandzkiej, Uniwersytet Wrocławski, ul. Kuźnicza 21–22, 50–138 Wrocław, Polen; e-mail: malgorzata.dowlaszewicz(at)uwr.edu.pl

 

Małgorzata Drwal

Nederlandse literatuur als inspiratie voor het eerste feministische boek in het Afrikaans, Vrou en feminist van Marie du Toit

 

Sleutelwoorden: feminisme, vrouwenstemrecht, culturele hybriditeit, Zuid-Afrikaanse literatuur, Afrikaans, Marie du Toit,

Nederlandse literatuur in Zuid-Afrika

Vrou en feminist of iets oor die vrouevraagstuk (1921) van Marie du Toit (1880-1931) wordt beschouwd als het eerste uitgesproken feministische vertoog geschreven in het Afrikaans. Du Toit legt in het voorwoord uit dat ze zich genoodzaakt voelde om dit werk te publiceren omdat er nog geen Afrikaans boek bestond waar de minderwaardige positie van de vrouw op een systematische en kritische manier werd behandeld. Ze verklaart dat haar intentie een beter begrip tussen mannen en vrouwen is en dat het concept feminisme en motivatie voor het invoeren van vrouwenstemrecht duidelijk uiteengezet dient te worden voor het Afrikaanssprekende publiek.

De auteur focust zich op de lokale Zuid-Afrikaanse context, maar ze sluit zich tegelijkertijd aan bij het mondiale probleem van vrouwenemancipatie. Daarnaast is haar denkwijze duidelijk beïnvloed door grotendeels Europese intellectuele wereld. Ze illustreert haar opvattingen met talrijke voorbeelden uit Nederlandstalige (bijv. A. L. G. Bosboom-Toussaint, E. J. Potgieter) en Engelstalige (bijv. George Meredith) literatuur en haalt internationale autoriteiten aan, onder andere de Zuid-Afrikaanse Olive Schreiner, de Pools-Franse reiziger en publicist Jean Finot en de Nederlandse dichteres en socialiste Henriette Roland Holst.

In dit referaat zal ik mijn aandacht vestigen op de manier waarop teksten geschreven in het Nederlands geïncorporeerd werden in deze Afrikaanse tekst. Ik benader het werk van Marie du Toit als product van culturele hybriditeit, waarbij ik gebruik maak van theoretische overwegingen van Michail Bachtin ([1930s] 1981), Homi K. Bhabha (1994) en Peter Burke (2009).

Biografie

Małgorzata Drwal studeerde Engels en Nederlands aan de Universiteit van Wrocław. In 2014 promoveerde ze met een proefschrift over vrouwelijke egodocumenten uit de Anglo-Boerenoorlog. Ze is verbonden aan de vakgroep Nederlandse en Zuid-Afrikaanse Studies aan de Adam Mickiewicz Universiteit in Poznań. Haar onderzoek richt zich op literaire sociologie en culturele mobiliteit. Op dit moment werkt ze aan een project over de betrokkenheid van blanke Zuid-Afrikaanse vrouwen bij de mondiale stromingen van feminisme en socialisme in de eerste helft van de 20e eeuw.

 

Wilken Engelbrecht

“Helaas hebben wij het boek niet kunnen plaatsen” – de rol van agenturen bij het vertalen van Nederlandstalige literatuur in het Tsjechisch tussen 1919 en 1989

 

Sleutelwoorden: literaire vertaling, Nederlandstalige literatuur, Tsjechische vertaling, DILIA, bemiddeling

 

Ook als je ruim 20 jaar lang onderzoek doet naar vertalingen, kunnen archieven je nog interessante verrassingen opleveren. De afgelopen drie jaar is er intensief onderzoek gedaan in uitgeversarchieven in het Památník národního písemnictví te Praag, het Literatuurmuseum in Den Haag en het Letterenhuis te Antwerpen. Doel van het onderzoek was onder andere om te ontdekken op basis waarvan de keuze voor bepaalde boeken in Tsjechische vertaling tot stand kwam.

In de voordracht zal eerst kort worden geschetst hoe de tamelijk rijke Tsjechische keuze van Nederlandstalige literatuur in het Interbellum tot stand kwam, deels door rechtstreekse activiteit van de vertalers (m.n. Lída Faltová, Rudolf J. Vonka en Ella Kazdová), deels door bemiddeling van agenturen als Gustav Bernau, Centrum (Mila Kholová), Vickie Schwarz en Universum. Daarna geven we een kort overzicht van de politieke veranderingen van de Tsjechische uitgeversmarkt in de jaren 1948-1953, waarin de rol van literaire vertalingen opnieuw gedefinieerd werd – een rol die in 1971 in het kader van de normalizace herbevestigd is.

Het laatste deel van de voordracht bekijkt het soms ingewikkelde spel dat rond vertalingen werd gespeeld tussen de vertalers (m.n. Olga Krijtová en Ella Kazdová), de literaire redacties van de uitgeverijen (met hoofdrollen voor Melantrich, Mladá fronta, Odeon, Práce en Vyšehrad/Lidová demokracie) en DILIA, de in 1949 opgerichte staatsagentuur die als enige het recht had vertaalcontracten af te sluiten. DILIA speelde hierbij een dubbelrol – die van een literaire agentuur (soms werden er hogere rechten betaald dan door westerse agenturen) en tegelijkertijd die van ideologische poortwachter.

 

Biografie

Prof. dr. Wilken Engelbrecht is gewoon hoogleraar te Olomouc en te Lublin. In de jaren 1990-1994 richtte hij zowel te Bratislava als te Olomouc het vak Nederlands opnieuw op. In 1995 stond hij met enkele andere collega’s uit de regio aan de wieg van de vereniging voor Centraal-Europese neerlandici Comenius (1995). In 2012 habiliteerde hij en werd ook door Koningin Beatrix voor zijn verdiensten op het gebied van de neerlandistiek benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. In 2015 werd hij in Tsjechië tot de eerste gewoon hoogleraar in de neerlandistiek na František Kalda (stichter van de neerlandistiek in Bratislava en in Praag) te Tsjechië benoemd, in 2018 werd hij ook in Polen, waar hij sinds 2011 werkzaam is, tot gewoon hoogleraar benoemd.

Zijn belangrijkste onderzoeksterrein is de receptie van Nederlandstalige literatuur in vertaling in Centraal-Europa. Hij is mede-auteur van het handboek Dějiny nizozemské a vlámské literatury (Praag 2015) en auteur van ruim 70 publicaties op het gebied van de neerlandistiek en frisistiek en ruim 45 publicaties op het gebied van de latinistiek en mediëvistiek. Onder zijn leiding werden 2 rigorosa en 4 dissertaties in Olomouc, 1 dissertatie in Lublin, 50 masterscripties in Olomouc en 21 in Lublin, 106 bachelorscripties in Olomouc en 19 in Lublin met succes verdedigd. Engelbrecht was lid in 4 habilitatiecommissies, waarvan één onder zijn leiding.

Contact 1: Katedra nederlandistiky FF UP, Křížkovského 10, 771 80 Olomouc, Tsjechië, e-mail wilken.engelbrecht(at)upol.cz

Contact 2: Katedra Literatury i Języka Niderlandzkiego IFA KUL, Al. Racławickie 14, 20-950 Lublin, Polen, wilken.engelbrecht(at)kul.pl

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Sabine Ernst

“In mijn klas op de Bijlmerhorst had niemand merkschoenen gedragen [...].” Romans van multiculturele schrijvers gelezen als arbeiderliteratuur

Sleutelwoorden: multiculturaliteit, diversiteit, klasse, arbeiderliteratuur

Wie in de afgelopen jaren het nieuws heeft gevolgd, ziet dat kwesties als identiteit, multiculturaliteit en integratie steeds terugkerende onderwerpen vormen van discussies in politiek en media. Migranten worden vaak als probleem waargenomen en gepresenteerd, sterker nog: de multiculturele samenleving en de integratie van nieuwkomers is volgens doemdenkers hopeloos mislukt. Binnen hetzelfde tijdperk zijn multiculturele schrijvers van de rand naar het centrum van de literatuur gestroomd. In 2007 heeft het boek Het huis van de moskee van Kader Abdolah bij de door NRC en NPS gehouden verkiezing ‘Het beste boek’ de tweede plaats gehaald en in 2011 was hij schrijver van het boekenweekgeschenk. Ramsey Nasr was van 2009 tot 2013 Dichter des Vaderlands.

Heel vaak wordt de literatuur van multiculturele schrijvers met een allochtoniserende bril gelezen, waarbij de personages in hun werk in de positie van de other worden geplaatst. Op die manier worden de personages door literatuurcritici tot hun positie als migrant gereduceerd. Want in een aanzienlijk deel van de romans spelen onderwerpen als migratie en multiculturaliteit een belangrijke rol. Wanneer men de allochtoniserende bril echter loslaat, valt op dat er een belangrijke dimensie over het hoofd wordt gezien. Deze romans in mijn corpus, waarin het leven van nieuwkomers van de eerste en tweede generaties wordt uitgebeeld, spelen vaak in een arbeidersmilieu. De Turks-Nederlandse schrijver Özcan Akyol legt in een interview in de krant Trouw van 24 februari 2016 uit dat zijn roman Turis als arbeiderliteratuur moet worden beschouwd en dat “dit verhaal [...] niet zozeer ‘allochtoon’, maar eigenlijk heel universeel [is].”

Daarom ligt het voor de hand om voor de analyse van (multiculturele) romans, waarin het leven in de onderklasse wordt uitgebeeld, het genre arbeiderliteratuur als zoeklicht te gebruiken. Ik zal de volgende vragen nagaan: Welke rol spelen clas en sociale laag voor de romanpersonages en welke impact heeft dit op hun leven. Hoe worden in de romans machtrelaties en mechanismen van uitsluiting blootgelegd? Op welke manier vindt via een soort writing back een inmenging in publieke discussies plaats over o.a. identiteit en integratie en welke verbanden worden er gelegd met het aspect clas? Hoe wordt positie gekozen t.o.v. onderwerpen zoals discriminatie en achterstelling?

Talrijke schrijvers zoals Özcan Akyol, Karin Amatmoekrim, Khalid Boudou, Mano Bouzamour en Murat Isik geven op die manier in hun werk blijk van hun maatschappelijk engagement.

 

Biografie

Sabine Ernst

s.ernst(at)mail.be

 

Jakob Faber

De brug tussen Hongaarse literatuur en Nederlands systeem

Sleutelwoorden: Hongaarse literatuur in vertaling, literair systeem, polysysteem, culturele uitwisseling, moderne Nederlandse literatuur

De culturele brug tussen Hongarije en de Lage Landen is al lang geleden geslagen, en nog altijd vinden werken van Hongaarse auteurs in vertaling hun weg naar een Nederlandstalig lezerspubliek en vice versa. Zonder aan oneigenlijke vormen van culturele toe-eigening te doen zou de vraag gesteld kunnen worden of Hongaarse auteurs die in het Nederlands verschijnen bij Nederlandse uitgeverijen, in Nederlandse boekwinkels verkocht worden en gelezen worden door een Nederlands publiek, niet ook simpelweg deel uitmaken van de Nederlandse literatuur.

Deze these wil ik uitwerken aan de hand van de Hongaarse Nobelprijswinnaar Imre Kertész, van wie meer dan tien titels in Nederlandse vertaling verschenen maar die desondanks ontbreekt in Nederlandstalige literatuurgeschiedenissen of literaire kronieken. Aan de hand van de kritische receptie van zijn werk probeer ik na te gaan welke positie hij als ‘buitenlandse’ auteur in het Nederlandse literaire systeem inneemt, en zodoende licht te werpen op de ambigue status van vertaalde literatuur.

Daarnaast wil ik door middel van een korte analyse van zijn literaire werk een poging ondernemen Kertész een plaats te geven in de Nederlandse naoorlogse literatuurgeschiedenis - welke thematieken en raakvlakken heeft zijn proza gemeen met algemeen erkend Nederlandstalig literair proza, en in welke opzichten wijkt het daarvan af en is het dus een nieuw geluid in de Nederlandse letteren? Hoe zouden we Kertész, en bij uitbreiding andere Hongaarse, en andere uit vreemde talen vertaalde auteurs, een plaats in ‘onze’ literatuurgeschiedenis kunnen en moeten geven? Deze vragen zullen centraal staan in mijn lezing en hopelijk stof geven tot discussie na afloop.

 

Biografie

Jakob Faber (Rotterdam 1985) studeerde Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht en was daarna werkzaam als moedertaaldocent aan de Universiteit van Boekarest en de Károli Gáspáruniversiteit te Boedapest. Daarnaast doceert hij regelmatig aan verschillende zomer- en wintercursussen. Sinds 2018 werkt hij aan de ELTE (Boedapest) aan een proefschrift over Hongaarse literatuur in Nederlandse vertaling.

 


Krisztina Gracza

Het doorbreken van de Europese monocultuur: de weg naar een beleid voor diversificatie van het Europese literaire veld (presentatie CELSA project)

Lezers beperken zich niet alleen tot literatuur uit hun eigen cultuur, geschreven in hun eigen taal. Hun literaire consumptie bevat vaak ook boeken die oorspronkelijk in een andere taal zijn geschreven. Dit is vooral karakteristiek voor de (uit het Europees perspectief) zogenaamde perifere talen, zoals het Hongaars en het Nederlands. Tegelijkertijd importeert een centrale taal, zoals het Engels, veel minder buitenlandse boeken en het Engelse leespubliek wordt minder vaak geconfronteerd met buitenlandse literatuur.

Het productieproces van vertaalde literatuur is veel complexer dan dat van de literatuur geschreven in de inheemse taal: het betrekt meer actoren, kost meer geld en inspanning. In dit project willen we de afgelegde wegen van vertaalde boeken bekijken en we willen ons focussen op de actoren en instituties die betrokken zijn bij het introduceren van vertaalde literatuur op de Europese markt(en): vertalers, redacteurs, literaire agenten, de regering, organisaties, boekenbeurzen, literaire festivals en prijzen, recensenten. In het hele netwerk waarbij actoren en instituties betrokken zijn, zullen we speciale aandacht besteden aan de door de regering gefinancierde fondsen en subsidies, als één van de voornaamste factoren in de literaire export.

Met het Nederlandse en het Hongaarse voorbeeld willen we graag onderzoeken hoe de internationale circulatie van boeken voor kleinere literaturen werkt. Eerst zullen we bekijken hoe ze met elkaar samenhangen (Nederlandstalige* werken in het Hongaars, Hongaarse werken in het Nederlands), daarna is de vraag in welk verband ze staan met de meest dominante taal wereldwijd (Nederlandstalige* werken in het Engels, Hongaarse werken in het Engels). Met dit voorbeeld zijn we van plan een groter project in gang te zetten dat 1) meer Europese literaturen bevat en 2) op meer actoren en instituties focust. Onze doelen zijn om 1) de richtingen van vertaling in kaart te brengen en te analyseren op een wetenschappelijke manier en 2) de beleidmakers van het culturele veld te helpen bij het optimaliseren van hun initiatieven.

Nadat ik ons project heb geïntroduceerd, zal ik mijn eigen onderzoeksveld presenteren, namelijk het voorbeeld van de Hongaarse werken die naar het Nederlands zijn vertaald. Ondanks dat mijn onderzoek nog in een beginfase zit, zijn enkele resultaten uit mijn corpus al zichtbaar geworden. Deze, tot nu toe bereikte resultaten wil ik presenteren aan de hand van verschillende casussen, die steeds vanuit een andere invalshoek worden benaderd.

*Omdat het een samenwerking is tussen de KU Leuven en de ELTE Boedapest, onderzoeken we vooral Vlaamse auteurs in ons project.

Biografie

Krisztina Gracza (Boedapest 1993) is in juni 2018 afgestudeerd als neerlandica (MA) van de Eötvös Loránd Universiteit te Boedapest. Sinds december 2018 werkt ze als fulltime onderzoeker van het CELSA project aan de afdeling Neerlandistiek. Tussen 2016 en 2018 werkte ze als student-assistent aan het Eastbound-CODL project mee. Met haar BA-scriptie ‘Contrastieve analyse van deixis in het Nederlands en in het Hongaars’ won ze de Comenius Scriptieprijs 2015 voor taalkunde. De samenvatting van haar MA-scriptie (getiteld ‘Interartistieke verwijzingen in het kortverhaal Een twee drie vier vijf van Simon Vestdijk. De rol van muziek in de tekst’) verscheen onlangs in de Vestdijkkroniek. Tijdens het laatste studiejaar van haar master studeerde ze een half jaar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Naast haar opleiding Nederlands rondde ze in 2017 een muziekopleiding als cellist af.

Veronika Horáčková

Het donkere licht en Kinderen van ons volk van Antoon Coolen in het Tsjechisch. Vertaling of adaptatie?

Sleutelwoorden: vertaling, adaptatie, Antoon Coolen, vertaalwetenschap

Lída Faltová en Rudolf Jordán Vonka worden beschouwd als de actiefste en daarmee de belangrijkste Tsjechische vertalers van Nederlandstalige literatuur in de eerste helft van de twintigste eeuw. Terwijl Vonka vooral als diplomaat werkzaam was en zich eerder als amateur met vertalen bezighield, was Faltová professioneel vertaalster. De aanpak en de kwaliteit van hun vertalingen lijkt dan ook vrij uiteenlopend te zijn.

Ik wil graag onderzoeken hoe de twee vertalers hun vertalingen hebben aangepakt wat ik aan de hand van de vertalingen van Het donkere licht en Kinderen van ons volk, allebei geschreven door Antoon Coolen, zal illustreren. Beide boeken behandelen een vergelijkbare thematiek,  namelijk het rurale leven op het Brabantse platteland.

Het donkere licht (ned. 1929) werd door Rudolf Jordán Vonka vertaald en werd in 1942 onder de titel Temné světlo gepubliceerd. Kinderen van ons volk (ned. 1928) heet in het Tsjechisch Romance z Brabantu (letterlijk Romance uit Brabant) en is in 1937 in de vertaling van Lída Faltová verschenen.

Zoals reeds aangegeven wil ik nagaan op welke manier de twee vertalers de boeken hebben vertaald. Daarbij probeer ik een antwoord op de volgende vragen te vinden: Welke factoren hebben bij de keuze van de te vertalen boeken mogelijk een rol gespeeld? Welke vertaalstrategieën hebben de vertalers toegepast? Hoe is dat te verklaren? Welke consequenties heeft de gekozen strategie voor de vertaling? En kunnen de Tsjechische versies van de romans echt als vertalingen worden bestempeld of gaat het eerder om adaptaties?

 

Biografie

Veronika Horáčková (1992) is promovenda aan de afdeling Neerlandistiek aan de Masaryk-Universiteit in Brno, Tsjechië. In haar proefschrift onderzoekt ze Tsjechische vertalingen van Nederlandse en Vlaamse romans in de eerste helft van de twintigste eeuw.

 

Nikki de Jong

Verlatenheid in De helaasheid der dingen (Dimitri Verhulst, 2006), Alleen met de goden (Alex Boogers, 2015) en Zomervacht (Jaap Robben, 2018).

Sleutelwoorden: Coming of age / resistance

Verstoorde familierelaties, liefde en verlating, vechten om te overleven. Thema’s die allemaal terugkomen in zowel De helaasheid der dingen (Dimitri Verhulst), Alleen met de goden (Alex Boogers) als Zomervacht (Jaap Robben). Het zijn drie coming-of-ageromans met verhalen die zich afspelen tegen een achtergrond van onderbelichte maatschappelijke problematiek. De plaats van handeling is telkens een asociaal huishouden. Plekken waar rauwe grappen worden gemaakt en de auteurs volkse tonen laten klinken. De hoofdpersonages Dimitri, Aaron en Brian zijn gedoemd op te groeien in respectievelijk een Vlaams plattelandsdorp, een Rotterdamse buitenwijk en een stacaravanpark.

De macht van het ouderschap heeft uitwerking op zowel Dimitri, Aaron als Brian. Deze drie jongens zijn aangewezen op maar één aanwezige ouder en hun liefde. In alle ouder-zoonrelaties is het daadwerkelijke contact al lang verloren, maar het is aan de volwassene om hun kinderen een voorstelling van het leven te geven. Hoe uit de geïsoleerde opvoeding zich in hun coming of age? Hoe ontwikkelen deze drie verlaten kinderzielen zich in hun gemeenschap en wat is de rol van hun enige ouder daarbij?

De vraagstelling luidt hoe deze romans fungeren als een representatie van het asociale milieu en hoe de personages daarin 'resistance' tonen. Het doel van dit onderzoek is om een vergelijking te maken tussen de drie hoofdpersonages, waarin ik een poging doe het effect en de moraal van verlating in kaart te brengen. Vervolgens zoek ik antwoord op de vraag welke strategie de jongens vinden om zich te ontworstelen aan het milieu tijdens hun reis naar volwassenheid. En of hen dat lukt.

 

Biografie

Nikki de Jong is in 2018-2019 verbonden als taallector Nederlands aan de Universiteit van Boekarest.

 


Ludo Jongen

Met de tijd mee of ertegen in?

Sleutelwoorden: letterkunde; didactiek

Geschiedenisboeken beginnen gewoonlijk ergens in het verleden om vandaaruit naar het heden te gaan. Dat geldt ook voor literatuurgeschiedenissen. Een geschiedenis van de Nederlands/Vlaamse letterkunde start met Hendrik van Veldekes Servaaslegende en eindigt met bijvoorbeeld de laatste roman van Marente de Moor (Foon) of verhalenbundel van Esther Gerritsen (Hallelujah). Voor studenten met als hoofdvak Nederlandse taal en letterkunde zal dat geen problemen opleveren. Meestal kennen ze een oude stad als Amersfoort of Brugge waarin de geschiedenis in steen te lezen valt. Bovendien zal vaak al op de basisschool aandacht zijn besteed aan de geschiedenis van land en streek.

Voor Franse, Duitse of Britse studenten die zich verdiepen in de Nederlandse taal, letterkunde en cultuur zal een chronologische volgorde eveneens gesneden koek zijn. Hun taal, literatuur en cultuur is immers nauw verwant aan die in de Lage Landen.

De vraag is of dat ook geldt voor studenten Nederlands uit landen als Polen, Tsjechië, Bulgarije of Hongarije. Hun vaderlandse geschiedenis wijkt nogal af van die in Nederland/Vlaanderen. Sterker nog, ook de hedendaagse cultuur in het oosten is nog steeds anders dan die in het westen. Koffieshops zijn in Nederland plaatsen waar je nu juist geen koffie gaat drinken. Zou het daarom niet beter zijn om de Nederlands/Vlaamse literatuurgeschiedenis “van achter naar voor” te behandelen. Dus beginnen met Tom Lanoye of Tommy Wieringa en vervolgens terugwerken naar de Middeleeuwen.

Tijdens mijn docentschap in Lublin heb ik die omgekeerde methode uitgeprobeerd. In mijn lezing wil spreken over de voor- en nadelen van dat achterstevoren systeem.

 

Biografie

Dr. Ludo Jongen is medioneerlandicus. Tot zijn pensionering (2013) doceerde hij Middelnederlandse Letterkunde aan de Universiteit Leiden. Van 2010 tot 2015 was hij als hoogleraar Nederlandse Letterkunde verbonden aan de Johannes Paulus II Katholieke Universiteit Lublin. Hij heeft een groot aantal Middelnederlandse teksten in modern Nederlands vertaald. l.e.i.m.jongen@hum.leidenuniv.nl

 

Irena Barbara Kalla

Streven naar een onverdeelde wereld. Jeugdboeken van auteurs voor volwassenen

Sleutelwoorden: jeugdliteratuur, systeemtheorie, literatuur-historisch onderzoek, stijl, Hans Andreus, Sybren Polet, Mireille Cottenje

In mijn bijdrage zal ik jeugdboeken analyseren van auteurs die als schrijvers voor volwassenen bekend geworden zijn. Wat me interesseert, is de plaats van hun jeugdboeken in het gehele oeuvre. Waarom begonnen ze aan jeugdboeken? Voor wie hebben ze ze geschreven? Welke kenmerken van hun karakteristieke stijl kunnen in hun werk voor kinderen/jeugd gevonden worden? Naast deze vragen te onderzoeken zal ik de jeugdboeken van gekozen auteurs in de context plaatsen van de jeugdliteratuur als zodanig. Op die manier wil ik twee bruggen slaan: binnen het oeuvre (literatuur voor volwassenen - jeugdliteratuur van een bepaalde auteur) en daarbuiten (jeugdboeken van bepaalde auteurs - jeugdliteratuur van hun tijd). Als theoretisch kader gebruik ik systeemtheorie en aetonormatieve theorie. Mogelijke casussen zijn Hans Andreus, Sybren Polet, Mireille Cottenjé (de uiteindelijke keuze wordt op een later tijdstip doorgegeven).

 

Biografie

Irena Barbara Kalla is als wetenschappelijk en didactisch medewerker verbonden aan de Erasmus Leerstoel voor Nederlandse Filologie in Wrocław (Polen). Haar proefschrift ging over literaire programma’s uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Haar habilitaatsonderzoek ging over metafoorconcepten in de moderne Nederlandstalige poëzie en werd gepubliceerd als Huisbeelden in de Nederlandse poëzie in de serie Lage Landen studies. Ze publiceert over jeugdliteratuur en receptie.

 


Anna Krýsová

Voorbij het postmodernisme: bezwaar, vreemdheid en oscillatie

Sleutelwoorden: voorbij het postmodernisme; metamodernisme; waarheid; aporie

 

Het doel van mijn dissertatie is om het landschap van culturele theorie in kaart te brengen, vooral in werken die zich bezighouden met het einde van postmodernisme en werken waarin nieuwe trends voorbij het postmodernisme voorgesteld worden. Daardoor komen wij te weten welke gebaande paden van postmodernisme de nieuwe periode achter zijn rug laat en wij kunnen vaststellen dat het erfgoed van postmodernisme vooral voelbaar is op drie gebieden: taal, literatuur en waarheid. De stellingen van filosofen en theoretici wil ik gebruiken voor de interpretatie van vijf recentelijk verschenen romans. Mijn hypothese is dat wij de recente literaire productie niet meer postmodern kunnen noemen en dat wij nieuwe instrumenten en taal nodig hebben om ze te beschrijven. De kenmerken van een nieuwe epistemologische reconfiguratie (Toth 2010) zijn strategische naiviteit of pragmatisch idealisme, oscillatie (die zich tussen contradictoire posities beweegt), relationaliteit en een nieuwe verhouding tot aporiën. Voorlopige conclusies kan ik vermelden met betrekking tot een casus uit mijn corpus: Zonder noorden komt niemand thuis (2009) van Nelleke Noordervliet, een redelijk vreemd roman. De analyse van deze roman is gericht op twee van de bovengenoemde kenmerken – oscillatie en verhouding tot aporiën (zoals waarheid of rechtvaardigheid). Vanwege de postmoderne gedachtegoed wordt waarheid en de relatie ertoe als een bezwaar of hindernis door de hoofdpersonage ervaren. Zijn benadering oscilleert tussen een volledige aanvaarding van een versie van waarheid die hem bevalt en een cynische en nihilistische houding tegenover de zoektocht naar waarheid en betrokkenheid bij het leven van de medemens. De bovengenoemde vreemdheid van de roman is een kenmerk van literatuur na het postmodernisme en tegelijkertijd mijn voorlopige poging om een nieuwe taal te ontwikkelen voor haar analyse.

 

Biografie

Mgr. Anna Krýsová is interne doctoranda bij de vakgroep neerlandistiek van het Instituut voor Germaanse studies van de Filosofische Faculteit, Univerzita Karlova te Praag. Correspondentieadres: Ústav germánských studií FF, Nederlandistika, Univerzita Karlova, Nám. J. Palacha 2, 116 38 Praha 1, Tsjechië.

anna.krysova(at)seznam.cz

 


Bram Lambrecht

Een wankele brug tussen leven en dood. De poëzie van De eenzame uitvaart

Sleutelwoorden: Poëzie, rouw, hedendaagse literatuur

Met het Nederlands-Vlaamse dichtersproject De eenzame uitvaart vervult de poëzie opnieuw haar gelegenheidsfunctie van weleer. Wanneer iemand zonder nabestaanden overlijdt en alleen door de stadsdiensten wordt begraven, vaardigt De eenzame uitvaart een dichter af die een zelfgeschreven stuk poëzie voordraagt bij de uitvaart. De dichter gaat daarvoor op zoek naar (vaak schaarse) informatie over de eenzame dode en schrijft een gedicht dat haar of hem zo veel mogelijk op het lijf geschreven is. De gedichten worden daarna gepubliceerd op het internet en een selectie werd al in boekvorm uitgegeven door F. Starik en Maarten Inghels, telkens voorzien van een verslag in proza.

Elk gedicht van De eenzame uitvaart is dus bedoeld voor een specifieke begrafenis van een specifieke dode en verwerft op die manier (opnieuw) een occasionele en rituele betekenis. De figuur van de apostrof speelt in vele gedichten een cruciale rol: vele dichters spreken de dode aan en geven zo blijk van een geloof in de mogelijkheid van communicatie tussen levenden en doden. Toch zijn de gedichten van De eenzame uitvaart meer dan een heropbloei van de gelegenheidspoëzie. De rituele mogelijkheden van gedichten en hun vermogen om de levenden en de doden met elkaar te verbinden staan in de gedichten ook vaak ter discussie.

In mijn lezing wil ik illustreren hoe de dichters van De eenzame uitvaart in hun gedichten wankele bruggen slaan tussen het leven en de dood en hoe ze daarbij de functies van de poëzie in de 21ste eeuw onderzoeken. Daarmee hoop ikzelf bruggen te slaan tussen disciplines, door te laten zien hoe de analyse van gedichten cultuurhistorische vragen oproept over de hedendaagse omgang met de dood en de doden en over de 21ste-eeuwse zoektocht naar nieuwe rituelen.

 

Biografie

Bram Lambrecht werkt voor de KU Leuven als postdoctoraal onderzoeker van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Aan dezelfde universiteit studeerde hij in 2013 af als master in de taal- en letterkunde en promoveerde hij in 2017 op een onderzoek naar publieksliteratuur uit Vlaanderen tijdens het interbellum. Sinds oktober 2017 voert hij een project uit over rouwpoëzie in de 20ste en 21ste eeuw. Bram publiceerde verschillende artikelen, boeken en boekhoofdstukken over de literaire cultuur van het interbellum en moderne poëzie. Hij is redactielid van de Lage Landen Studies (Academia Press) en het Kritisch Literatuur Lexicon en verbleef als gastdocent of -onderzoeker in Groningen, Wrocław, Boedapest en Boekarest.

 

Magdalena Lipnicka

Nederlandse kinderboeken in Polen in de 21e eeuw

Sleutelwoorden: kinderliteratuur, cultuur, vertalingen

De kinderliteratuur betekent literatuur voor jonge lezers tot ongeveer 11-12 jaar. Dat zijn meestal (prenten)boeken, verhalen en versjes. Het begin van deze soort van de literatuur ligt in de 18e eeuw. De laatste jaren is er bijzondere belangstelling voor boeken voor jonge kinderen. Dat zou ook met sociale veranderingen verbonden kunnen zijn (bv. meer bewustzijn van ouders).  Het antwoord op  de groeiende vraag naar dit soort literatuur is de toename van het aantal vertalingen van kinderboeken.  In mijn korte presentatie wil ik enkele Nederlandse kinderboeken presenteren die in het Pools zijn vertaald (bijzonder de moderne vertalingen: o.a. boeken van Annie M.G. Schmidt, Toon Tellegen, Max Velthuijs en Dick Bruna). Op basis daarvan en de analyse van de vertaling van cultuurelementen en/of receptie wil ik ook een paar conclusies trekken.

 

Biografie

Dr. Magdalena Lipnicka is universitair hoofddocent bij de leerstoel voor Nederlandse Taal- en Letterkunde van de Faculteit Geestewetenschappen van de Johannes Paulus II Katholieke Universiteitvan Lublin. Haar aandacht gaat vooral uit naar de sociolinguïstiek. Correspondentieadres: Katedra Literatury i Języka Niderlandzkiego WHN, Katolicki Uniwersytet Lubelski Jana Pawła II, Al. Racławickie 14, 20–950 Lublin, Polen; lipnicka.magdalena(at)gmail.com

 


Gábor Pusztai

De (post)koloniale blik. Het beeld van de inheemsen bij Willem Walraven.

Sleutelwoorden: koloniale literatuur, Willem Walraven, post-kolonialisme, Nederlands-Indie

Willem Walraven (1887-1943) geldt als één van de ethische auteurs in de Nederlandse koloniale literatuur. Zijn werk, zijn vriendschap met Du Perron en zijn huwelijk met de inheemse vrouw Itih maakten hem na de oorlog tot het boegbeeld van de critici van het koloniale systeem. Hij werd door Beekman één van de beste koloniale schrijvers genoemd.

In mijn lezing ben ik van plan op basis van twee verhalen van Walraven (Op de grens, De clan) na te gaan, hoe in de teksten de inheemsen worden gerepresenteerd. Zijn ethische principes inderdaad herkenbaar in de tekst? Hoe is de (post)koloniale blik van de verteller? Wat is de rol van stereotypen en hiërarchische structuren in de tekst, als die er zijn?

 

Biografie

Gábor Pusztai (1971) is sinds 1995 verbonden aan de Universiteit Debrecen, waar hij Nederlandse taal- en literatuur doceert. Hij promoveerde in 2003 en habiliteerde in 2015 in literatuurwetenschap. Sinds 2007 is hij hoofd van de Vakgroep Nederlands. Tussen 2006 en 2009 was hij voorzitter van Comenius (Vereniging voor Neerlandistiek in Centraal-Europa). Zijn onderzoeksgebied is Nederlands-Hongaarse culturele contacten, koloniale- en postkoloniale literatuur van Nederland. Hij schreef onder andere over literaire ervaringen van het vreemde in An der Grenze (2007), over Michiel de Ruyter (2009) en over László Székely Menekülés az idegenbe (2017).

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Maarten Rombouts en Paola Brodej

Čudnovate zgode šegrta Hlapića: vertalend bruggen bouwen

Sleutelwoorden: vertalen, cultuurkunde, jeugdliteratuur

 

Čudnovate zgode šegrta Hlapića is een Kroatisch jeugdboek dat de wonderbaarlijke avonturen van de schoenmakersleerjongen Hlapić vertelt. Geschreven in 1913 door Ivana Brlić-Mažuranić staat het in de Kroatische canon aangeschreven als behorende tot de beste jeugdboeken in het land. Nu meer dan 100 jaar na verschijnen, is het nog steeds een klassieker. Het boek is in bijna 20 talen vertaald maar niet in het Nederlands. De auteurs zijn nu aan de slag met het vertalen van dit meesterwerk naar het Nederlands.

Tijdens het vertalen van een vroeg twintigste-eeuwse boek, en dan nog van een Slavische taal naar een Germaanse, moeten er keuzes worden gemaakt door de grote ruimte tussen bron- en doeltekst. Wat doe je bijvoorbeeld met een naam als Mrkonja, de leermeester, die in het Kroatisch een duidelijke emotionele inhoud heeft? Of met de hoofdpersoon Hlapić, een naam die voor Nederlandstaligen nauwelijks uit te spreken is en die, zelfs voor Kroaten vandaag, een verborgen betekenis heeft. Hoe vertaal je functienamen die in het Kroatisch een vrouwelijk suffix krijgen? Majstorica (vrouwelijke vorm van majstor, meester) kan je moeilijk als meesteres vertalen door de verandering in betekenis. Een diepgaandere keuze moet worden gemaakt met betrekking tot stijl. Brlić-Mažuranić hanteerde een eenvoudige stijl, maar met veel woordgebruik dat nu archaïsch aandoet. Ook gebruikte ze veel herhalingen die in de brontekst ritme geven maar in een Nederlandse vertaling als storend worden ervaren. Verder kunnen metaforen niet zomaar letterlijk worden vertaald door een verschil in context. De brug van de Kroatische maatschappij van de vroege jaren 1900 naar de Lage Landen van nu moet geslagen worden om het boek relevant te houden.

Om antwoord te geven op deze en andere vragen die de vertaling oproept, baseren we ons op de classificatie van vertaalstrategieën van Chesterman . Hij maakt een onderscheid tussen syntactische strategieën die invloed op de vorm hebben, semantische met een invloed op betekenis en pragmatische die de boodschap beïnvloeden. In onze vertaling focussen we vooral vormsveranderingen omdat we zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke ideeën van de auteur willen blijven hoewel semantische en pragmatische veranderingen soms vereist zijn.

Tijdens het colloquium wordt de vertaling voorgesteld en worden de gemaakte keuzes toegelicht met betrekking tot de bovengenoemde vertaalstrategieën met een focus op het overbruggen van de afstand tussen de bron-en doeltekst.

Biografie

Maarten Rombouts studeerde Geschiedenis en Taal en Bedrijf aan de universiteit van Leuven. Na een carrière in het onderwijs en in de ngo-wereld belandde hij in Zagreb waar hij sinds 2016 als lector Nederlands verbonden is aan de vakgroep Nederlandse taal- en cultuurkunde van de universiteit. Paola Brodej is laatstejaarsstudente Neerlandistiek en Kunstgeschiedenis aan de universiteit van Zagreb. Ze werkte aan meerdere studentenprojecten en tentoonstellingen zoals de organisatie van een internationaal congres. Haar interesses liggen voornamelijk in het gebied van cultuur en culturele uitwisseling.

 

 

Lucie Sedláčková

Dierenpersonages tegendraads gelezen: vogels die geen metafoor of symbool willen zijn

Sleutelwoorden: recent Nederlands proza; critical literary animal studies; dierenpersonages

Dieren hebben sinds mensenheugenis een rol gespeeld in allerlei culturele uitingen: in de godsdienst, mythologie, de folklore, de beeldende kunst, de literatuur etc. Veelal werden ze gebruikt als metafoor, als symbool voor het menselijke en het werd ons ingeprent, ook in de literatuurles, om ze op deze manier te lezen. In de tweede helft van de twintigste eeuw, in navolging van de opkomst van de ideologiekritiek en het deconstructief lezen, verscheen er een paradigmawisseling in het lezen van dieren in teksten (teksten in de brede zin van het woord), in de vorm van de critical literary animal studies.

Deze discipline probeert de binaire oppositie tussen mens en dier te ondermijnen en tevens met het wijdverbreide antropomorfisme af te rekenen. Dit gaat hand in hand met het onderzoek in de natuurwetschappen, waar, binnen het ethologisch onderzoek, steeds meer cognitieve eigenschappen bij dieren worden ontdekt en beschreven. De cognitieve vaardigheden van de mensapen of andere zoogdieren worden door de mens het makkelijkst geaccepteerd, bij andere dieren, zoals vogels, is het voor de mens veel moeilijker om zich in hen in te leven.

In mijn bijdrage zal ik door middel van resistant reading ingaan op de rol die een aantal vogels als personages in het recente Nederlandse proza kunnen spelen en probeer ik te laten zien hoe ze als een volwaardig personage (subject) gelezen kunnen worden.

Biografie

Lucie Sedláčková promoveerde in 2011 op Globalisering in de hedendaagse Nederlandse roman. Zij werkt als docente Nederlandse letterkunde, cultuur en taalverwerving aan de Karelsuniversiteit in Praag. Ze publiceert vooral over de moderne Nederlandse en Vlaamse literatuur, maar interesseert zich ook voor literair vertalen, toneel, Tsjechische literatuur en ecologie.

 

Alexa Stoicescu

De constructie van de seksuele identiteit in 'De avond is ongemak' van Marieke Lucas Rijneveld bekeken in het kader van het queer-debat

Sleutelwoorden: queer, seksuele identiteit, Marieke Lucas Rijneveld

 

In 2017 verscheen de bundel 'Queer. 44 LHBT-hoogtepunten uit de naoorlogse literatuur van Nederland en Vlaanderen'. Ondanks de duidelijke titel blijkt uit de inleiding van samensteller Xandra Schutte dat het concept niet zo eenduidig te definiëren is. Schutte spreekt over degenen die “zich ‘queer’ noemen, wat wil zeggen dat ze niet in een nauw omschreven hokje passen” (10) en ze noemt ‘queer’ een “laatste poging om de afwijkende seksuele of genderidentiteit als subversief te verankeren” (14). Zij relativeert echter meteen: “Queer of niet, de recente teksten uit deze bundel tonen homoseksualiteit vooral als iets vanzelfsprekends” (14). De ondefinieerbaarheid van ‘queer’ lijkt in dit verband eerder productief te werken.

Marieke Lucas Rijneveld is opgenomen in 'Queer' als dichter en nam de tweede mannelijke voornaam ‘Lucas’ aan, om uiting te geven aan haar identiteit als ‘tussenmens’ – tussen jongen en meisje. Rijneveld debuteerde in 2018 als prozaschrijver 'De avond is ongemak', een donkere roman over een strenggelovige familie en het verlies van een kind. De drie broers en zussen en de ouders proberen de dood te verwerken. Gefocaliseerd wordt vanuit de visie van het meisje Jas dat weigert haar jas uit te doen en samen met haar zus Hanna haar seksualiteit verkent.

In deze lezing zal ik nauwkeuriger kijken naar de constructie van de seksuele identiteit van het als ‘tussenmens’ of ‘queer’ te benoemen hoofdpersonage Jas. Hierbij vraag ik me af hoe ‘seksuele identiteit’ en ‘queer’ te definiëren zijn in deze tekst en kijk ik naar de rol die de publieke figuur Marieke Lucas Rijneveld en haar zelfprofilering spelen bij de receptie van het boek. Ik ga uit van de stelling dat de zelfprofilering van Rijneveld van belang is voor de receptie van 'De avond is ongemak' als 'queer'.

 

Biografie

Alexa Stoicescu is werkzaam aan de Universiteit van Boekarest, sinds 2018 hoofd van de vakgroep en docente taalverwerving, vertaalwetenschap en literatuurwetenschap. Ze houdt colleges over de Nederlandstalige literatuur uit het interbellum, de naoorlogse tijd en de zeventiende eeuw. Alexa is gepromoveerd in 2015 op het begrip ’Heimat’ bij Herta Müller bij de afdeling Germanistiek. Tussen 2008-2010 volgde zij onderzoeksmaster Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, afgesloten met een scriptie over nihilistische literatuur. Alexa heeft haar licentiaatsdiploma behaald aan de universiteit van Boekarest met een scriptie over het postmodernisme bij Peter Verhelst. Onderzoeksthema’s: diversiteit, queer studies, gender, feminisme, identiteit, representatie, avant-garde.

 

 

Yves Tsjoen

Lateraal transnationalisme. Kruispunten van Afrikaanse en Nederlandse literatuur (Marlene van Niekerk)

 

In een themanummer van Nederlandse Letterkunde, ‘Het buitenland bekeken. Vijf internationale auteurs door Nederlandse ogen (1900-2000)’ (2006), richten samenstellers Els Andringa, Sophie Levie en Mathijs Sanders de focus op het circuleren en functioneren van buitenlandse literatuur in een anderstalig cultuurgebied. Het literaire veld wordt gedetermineerd door een dynamiek van autochtone en allochtone ontwikkelingen. Buitenlandse literatuur is in het Nederlandse taalgebied aanwezig in vertalingen en/of fungeert als referentiepunt in literaire debatten, in de beschouwerspraktijk van recensenten en het strategische repertoire van schrijvers. Een literatuurgeschiedenis van een natie of van een taalgebied dient kortom rekening te houden met de wijze waarop buitenlandse literatuur deel uitmaakt van het (nationale/linguïstische) vertoog over literatuur. Een nationale literatuur, of de literatuur van een taalgebied, is dus ruimer dan de literatuurproductie die in de taal zelf tot stand komt. Louise Viljoen schetst in Internationale Neerlandistiek (2014) het onderzoeksterrein voor een studie van laterale transnationale relaties (de term “minor transnationalism” is geijkt door Françoise Lionnet en Shu-mei Shih, 2005) tussen Afrikaanse en Nederlandse literatuur. Gezien de zusterverwantschap van Afrikaans en Nederlands bestaat een intensief grensverkeer tussen beide literaire (poly)systemen. In mijn voorstel besteed ik aandacht aan de casus Marlene van Niekerk. De romans van een van de belangrijkste hedendaagse Zuid-Afrikaanse schrijvers, Triomf (vert. Riet de Jong-Goossens en Robert Dorsman, 2006), Agaat (vert. Riet de Jong-Goossens, 2008) en Memorandum (vert. Riet de Jong-Goossens, 2007), alsook de verhalenbundels De vrouw die haar verrekijker had vergeten (vert. Riet de Jong-Goossens en Robert Dorsman, 1998) en De sneeuwslaper (vert. Riet de Jong-Goossens, 2009) zijn vertaald en gunstig gerecipieerd in het Nederlands. Binnenkort verschijnt de vertaling van de dichtbundel Kaar en recent zijn de bundels met schilderijgedichten Gesant van die mispels. Gedigte by skilderye van Adriaen Coorte en In die stille agterkamer. Gedigte by skilderye van Jan Mankes door uitgeverij Querido in één band uitgegeven (vert. Marlene van Niekerk en Henda Strydom, 2018). De aanwezigheid van Van Niekerk in Nederland zorgt ervoor dat haar literaire werk als deel van de Nederlandstalige literatuur kan worden beschouwd.

 

Biografie

Yves T'Sjoen is hoofddocent verbonden aan de Afdeling Nederlands van de Vakgroep Letterkunde  van de Universiteit Gent en bijzonder hoogleraar van het Departement Afrikaans/Nederlands van de Universiteit Stellenbosch en de afdeling neerlandistiek van de Masaryk Universiteit te Brno. Specialisaties: moderne poëzie, editiewetenschap en Afrikaanse literatuur. Hij bezorgde of werkte mee aan kritische leesuitgaven van onder anderen Albert Bontridder, Louis Paul Boon, Cyriel Buysse, Ben Cami, Jos de Haes, Marcel van Maele, Richard Minne, Paul Snoek, Wies Moens, Hugues C Pernath, Eddy van Vliet, Marcel Wauters en Karel van de Woestijne. Redacteur van Zacht Lawijd. Literair-historisch tijdschrift  en Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap.

 

Jeannick Vangansbeke

Pastoor Delancker: de kruisvaarder van Guido Gezelle

De 19de eeuw is tegelijk een tijd van religieus réveil en van diepe secularisering. Dit illustreren we aan de hand van de pelgrimsliteratuur, met name van de reis die August Delancker ondernam naar Palestina en Libanon. Was deze vriend van Gezelle enkel op zoek naar de ‘levende bijbel’? Of keek hij uit zijn  doppen en zo ja, wat weet hij te melden over de samenleving van het late Osmaanse rijk?

Zoals je van een metgezel van Gezelle mag verwachten, baseerde hij zich niet enkel op wat hij zag, maar ook op wat hij gelezen had. Wie was de auteur die hem meest beïnvloedde? Waarin ligt zijn individualiteit en originaliteit besloten?

De lange nawerking van de Franse tussenkomst in de Libanees-Syrische burgeroorlog van 1860 tekent nog sterk Delanckers reisverslag. Hoe beoordelen historici tegenwoordig die tussenkomst en hoe beoordeelt Delancker het hele gebeuren?

Ten slotte besteden we aandacht aan het vieren van pastoor Delancker als ‘wereldreiziger’ door de kring rondom Guido Gezelle.

 

Biografie

Jeannick Vangansbeke studeerde geschiedenis en wijsbegeerte in Leuven. Hij is de co-auteur van de publicaties De vacante troon van Pilatus (2003), Belgisch Congo in de Internationale politiek 1909-19 (2012) en talloze bijdragen aan de Kroniek 14-18. Hij doceert momenteel Nederlandse taalverwerving en Nederlandse cultuur aan de afdeling germanistiek van de Katholieke Universiteit Ružomberok.

 

 

Martina Vitačková

De brug naar liefde. Pleidooi voor academische studie van populaire romantische fictie.

Sleutelwoorden: populaire romantische fictie, feminisme, neerlandistiek

 

Terwijl er in de laatste tijd academische interesse begint te gaan in de richting van populaire fictie en populaire cultuur in het algemeen blijft er, zeker in de Nederlandse letterkunde, de populaire romantische fictie vaak achter. Wat is echter het belang van academische studie van populaire romantische fictie en wat kan het ons vertellen over de maatschappij in Nederland en Vlaanderen, het literaire veld en de Nederlandse letterkunde?

Geïnspireerd vooral door Engelstalige vakliteratuur stelt deze paper de studie van Nederlandse populaire romantische fictie voor en pleit voor de studie van deze teksten in de neerlandistiek.

 

Biografie

Martina Vitačková is geaffilieerd aan de Universiteit Gent en de Universiteit van Pretoria in Zuid-Afrika. Zij legt zich toe op moderne Nederlandse en Afrikaanse letterkunde.

 

Claudia Zeller

Performance mens: mens-zijn als bureaucratische performance in Geschiedenis van een berg van Peter Verhelst

Sleutelwoorden: bureaucratie, dierenverhaal, Kafka, Verhelst

In zijn filosofisch essay Bureaucratie is een inktvis (2015) poneert René ten Bos de stelling dat de verhalen van Franz Kafka welbeschouwd dierenverhalen zijn die over bureaucratie gaan. Bureaucratie gaat volgens Ten Bos immers over ontmenselijking. Een vergelijkbare observatie is te vinden in het werk van Anne-Marie Bijaoui-Baron over de ontwikkeling en verspreiding van het bureaucratisch idioom door middel van de literatuur. Bijaoui-Baron laat zien hoe dierenmetaforen enerzijds en de metafoor van de machine anderzijds in de Franse literatuur van de 19de eeuw – en dan met name bij Honoré de Balzac – worden ingezet om de bureaucraat in een niet-menselijke categorie te plaatsen (1981).

Ook de novelle Geschiedenis van een berg (2013) van Peter Verhelst kan als bureaucratisch dierenverhaal worden gelezen waarin Kafka’s korte verhaal ‘Ein Bericht für eine Akademie’ (1920) als intertekst resoneert. Beide teksten gaan over een dier dat tot mens wordt ‘opgeleid’, waarbij de scheidslijn tussen dier en mens vervaagt en het omslagpunt als het ware gemarkeerd wordt door een bureaucratische handeling. Uitgaande van Judith Butlers ideeën over performativiteit en voortbordurend op het werk van Vanessa Robinson die het dier-worden in de poëzie van Francis Ponge en Marianne Moore onderzoekt (Robinson 2015), richt deze bijdrage zich op de manier waarop mens-worden en mens-zijn als performatieve handeling kan worden opgevat.

Biografie

Claudia Zeller werkt als aio bij de afdeling Nederlands aan de Universiteit Wenen waar ze een proefschrift voorbereidt over bureaucratie in de Nederlandstalige literatuur van de 21ste eeuw.

 

Marketa Štefková, Pavlína Knap-Dlouhá

Tolken en vertalen in de publieke sector – een Centraal-Europees perspectief

Sleutelwoorden: public service translation and interpreting, community interpreting, social vertalen

 

Als gevolg van de migratiegolven vindt de communicatie in verschillende publieke sectoren steeds meer plaats in een meertalige communicatieve omgeving met een verschillende mate van complexiteit. Om een hoogwaardige dienstverlening te waarborgen, moeten overheden of openbare dienstverleners streven naar meertalige oplossingen, zoals het gebruik van professionele vertalers en tolken. Sommige EU-landen zijn in dit opzicht al ver gevorderd en kunnen terugvallen op jarenlange ervaring met de PSIT-certificering in een institutioneel kader of met verschillende vormen van PSIT-opleidingen. Dergelijke landen kunnen dienen als inspirerende modellen voor EU-landen die achterblijven op het gebied van formele PSIT-opleidingen.  

In deze presentatie willen we graag een licht werpen op de PSIT-praktijk en -opleiding in Centraal Europa en deze situatie vergelijken met de stand van zaken in de Lage Landen, waar PSIT een al lang bestaande praktijk is. De vergelijking zal voornamelijk betrekking hebben op de huidige stand van zaken op het gebied van PSIT-praktijken en -opleiding in Centraal Europa; competenties die in deze landen als essentieel voor de PSIT-opleiding worden beschouwd; de rol die de sociale tolk in de maatschappij speelt of zou moeten spelen en de ethische kwesties. Een tweede doel is om het Erasmus+ project PACI (Professional Accessible Community Interpreting) te presenteren en een inleiding te geven op de daarop volgende praktische workshops waar de intelectuele outputs van het project gepresenteerd worden.

Biografie

Marketa Štefková is verbonden aan de vakgroep Nederlands aan de Comenius Universiteit te Bratislava. Ze doceert voornamelijk taalkunde, praktische tolkoefeningen, juridisch vertalen en terminologie voor vertalers en tolken. Haar onderzoek is toegespitst op juridisch en institutioneel vertalen, tolken in de publieke sektor en integratie en terminologiebeheer in het vertaalproces. Zij is tevens als beëdigd tolk-vertaalster Nederlands-Slowaaks werkzaam.

marketa.stefkova(at)uniba.sk

Pavlína Knap Dlouhá Dlouhá is als universitair docent Nederlandse taalkunde en juridisch Nederlands verbonden aan de vakgroep Nederlands van de Palacký Universiteit te Olomouc. Haar promocieonderzoek was gericht op het vertalen van juridische teksten. Zij werkt onder meer aan habilitatie over sociaal tolken en is tevens als beëdigd tolk-vertaalster Nederlands-Tsjechisch werkzaam.

pavlina.knapdlouha(at)upol.cz


Van theorie naar praktijk: terminologische database en e-learningcursussen in PACI

Benjamin Bossaert, Małgorzata Dowlaszewicz, Mathieu van Obberghen, Pavlína Knap-Dlouhá, Kateřína Křížová, Marketa Štefková, Agata Kowalska-Szubert

 

Sleutelwoorden: sociaal vertalen, sociaal tolken, PACI, Erasmus+, e-learning, didactiek

Het didactische sluitstuk van het Erasmus+project - Professional and Accessible Community Interpreting – Gateway to Migrant´s Integration -  is het modelleren van vier online cursussen die aangeboden worden via het portaal moodle en mits het aanmaken van een account vrij toegankelijk zijn. Naast de vier cursussen, die door elk van de partners in het project voorgesteld worden, presenteren we ook een terminologische database met termenbank in de vier basistalen van het project in vier uitgekozen vakgebieden waar regelmatig sociaal tolken en vertalers ingezet worden.

Het doel van dit event is om door middel van interactieve workshops de deelnemers een voorstelling te geven van hoe studenten praktisch aan de slag kunnen met de cursussen. Het gaat om de cursussen Community Interpreting: context and techniques (Univerzita Palackého Olomouc), Language Technologies in Community Interpreting and Translation (Vrije Universiteit Brussel), Community/Institutional translation: context and techniques (Univerzita Komenského Bratislava) en Praxeological, Institutional and Ethical aspects of Community Interpreting and Translation (Uniwersytet Wrocławski). We stellen de cursussen voor waarom en hoe ze als template model kunnen dienen voor de masterfase in een studiecurriculum neerlandistiek, ook met nadruk op een filologische onderbouw.

Dit deel van het event wordt gevuld met de volgende workshops:

Matthieu Van Obberghen

Taaltechnologie in sociaal vertalen en tolken: een interactieve workshop

 

Kateřina Křižová, Pavlina Knap-Dlouhá

Notitietechniek live getest

Agata Szubert, Gosia Dowłaszewicz

Wat ethisch en onetisch is bij sociaal tolken: interactieve rollenspellen

Benjamin Bossaert, Marketa Štefková

Mens of machine? Toepassing van computerondersteund vertalen en machinevertalen in de publieke sector

 

Mathieu Van Obberghen

Testen en ontdekken: showcase intellectuele outputs project PACI vertaaltechnologie

 

Bij wijze van afscheid: ad multos annos

Laudatio voor professor Judit Gera

Judit Gera werd geboren op 2 mei 1954. Zij studeerde Hongaars en Engels, en vervolgens Nederlands aan de Eötvös Loránd Universiteit (ELTE) te Boedapest. Tussen 1977 en 1984 werkte zij als redactiemedewerker bij de Magvető Uitgeverij. Vanaf de late jaren zeventig vertaalde zij literaire werken en wetenschappelijke teksten in het Hongaars, voornamelijk uit het Nederlands. In 1982 keerde zij terug naar het toenmalige Departement van Germanistiek en Romanistiek aan de ELTE om er literatuur te doceren aan studenten Neerlandistiek. In 1991 verdedigde zij haar proefschrift over Van de koele meren des Doods van Frederik van Eeden. In 2000 verdedigde zij haar habilitatie waarvan de resultaten in hetzelfde jaar, na publicatie, voor een breder publiek beschikbaar werden. Ze werd in 2005 tot hoogleraar benoemd. Gedurende 23 jaar, van 1995 tot 2018 was ze vakgroepshoofd van de Vakgroep Nederlands aan ELTE.

Judit Gera heeft uitgebreid onderzoek verricht op het gebied van Nederlandstalige cultuur. De focus van haar belangstelling ligt op moderne literatuur, die ze vaak interartistiek benaderde, bijvoorbeeld in combinatie met beeldende kunst en film. Zij leidde vier succesvolle onderzoeksprojecten, welke resulteerden in verschillende monografieën, bundels en studieboeken. Veel van haar onderzoeks- en onderwijsactiviteiten staan in het teken van ideologiekritiek. In 2001 verscheen haar boek Van een afstand. Multatuli's Max Havelaar tegendraads gelezen. In 2012 werden haar artikelen gebundeld in haar boek, De structuren van onderwerping. Kritische studies dat in 2016 ook in het Engels gepubliceerd is onder de titel Structures of Subjugation in Dutch Literature. Daarnaast zijn meer dan 200 artikelen, studies, kritieken, recensies en geredigeerde werken door Judit Gera gepubliceerd in Hongarije en in het buitenland. Momenteel werkt ze samen met haar collega aan de ELTE aan het schrijven van een grootschalige Hongaarse literatuurgeschiedenis, in samenwerking met de andere twee Vakgroepen Nederlands in Hongarije. Dit project wordt ondersteund door de Nederlandse Taalunie.

De relatie tussen literatuur, culturele overdracht en bemiddelaars vormden de wetenschappelijke interesse van Judit Gera gedurende de afgelopen jaren. Zij publiceert momenteel met name binnen dit onderzoeksveld. Zij was een actieve deelnemer aan de verschillende internationale onderzoekprojecten die de verspreiding van Nederlandse literatuur onderzochten. Het NWO-FWO project Eastbound CODL ondersteund zij als wetenschappelijk adviseur.

Een belangrijk deel van het onderzoek van Judit Gera is rechtstreeks gerelateerd aan het onderwijs. Het meest sprekende voorbeeld hiervan is het handboek Inleiding literatuurgeschiedenis voor de internationale neerlandistiek dat zij schreef in samenwerking met haar vriend en collega dr. A. Agnes Sneller, voormalig hoogleraar aan de Károli Protestantse Universiteit. Haar onderwijsactiviteiten hebben de Neerlandistiek in Hongarije in belangrijke mate gevormd: de meeste docenten die nu aan de verschillende vakgroepen Nederland les geven zijn ooit studenten van haar geweest. Als lid van de Doctorale School van Literatuur aan de ELTE heeft ze vier PhD studenten begeleid. Veel van haar studenten hebben later werk gevonden in de particuliere sector, een aantal oud-studenten hebben in Nederland en België doorgestudeerd of daar werk gevonden. Al deze mensen zijn verbonden door de instelling van de Vakgroep Nederlands aan de ELTE: openheid, hoge eisen, een kritische houding en diepe interesse in de Nederlandstalige culturen. Bij het tot stand komen en de verspreiding van deze instelling speelde en speelt Judit Gera nog steeds een beslissende rol.

Judit Gera heeft ook een van de productiefste literair vertalers van Hongarije. Haar oeuvre als literair vertaler werd in 2001 door het Koninkrijk der Nederlanden met de Martinus Nijhoff-prijs erkend. In 1999 is ze onderscheiden als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau voor de verspreiding en promotie van de Nederlandse cultuur in Hongarije. Zij is lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en zit in de redactie van verschillende vaktijdschriften. In 2019 ontving ze de Pro Nederlandistica Hungariae onderscheiding als blijk van waardering voor haar eminente werk op het gebied van de Nederlandse taal, literatuur en cultuur.

Boedapest, 17 mei 2019, Orsolya Réthelyi

 

Laudatio voor professor Jana Rakšányiová

Jana Rakšányiová  werd op 7 augustus 1949 in Humenné geboren, waar haar vader als dierenarts aangesteld was en de moeder, een lerares, haar twee dochters Jana en Beata opvoede. Ondanks de tegenspoed van de politieke en maatschappelijke situatie van de jaren vijftig van de twintigste eeuw werd zij door de familiale omgeving in een harmonieuze sfeer met traditionele waarden gevormd.

Ondanks grote interesse in wiskunde, besloot zij aan de Filosofische faculteit van de Comenius Universiteit in Bratislava te studeren, waar zij in 1967 bij het Leerstoel Germaanse talen de studie Zweeds en Duits aanving. De creatief opgevatte studie van de  taal en cultuur heeft het haar mogelijk gemaakt om kennis te maken met uitstekende docenten, die voor haar nieuwe horizonten openden. Na haar studies begint ze in 1972 als assistente te werken aan de voormalige Universiteit van 17. november, die als eerste Slowaakse universiteit een opleiding voor toekomstige vertalers en tolken aanbood. Na het sluiten van deze universiteit, ging zij met andere collega's over naar de Filosofische faculteit van de Comenius Universiteit en op uitnodiging van de nestor van de Slowaakse vertaalwetenschap A. Popovič werkte zij bij de afdeling Theorie van het vertalen en tolken. De creatieve sfeer en inspiratieve onderzoeksprojecten, maar in het bijzonder de begeleiding van de wereldberoemde translatoloog hebben haar verdere loopbaan als praktiserend vertaler, theoretica en didactica van de vertaalwetenschap gekenmerkt. Zij werd vooral bijzonder actief als vertaalster van Zweedse, Noorse en Deense literatuur. In totaal vertaalde zij meer dan 30 romans, drama's en kinderboeken.

Het onderzoek van Jana Rakšányiová is gericht op de vertaaloverdracht en het vertaalproces als een transcultureel fenomeen alsmede op de vertaaldidactiek. Zij publiceerde 154 wetenschappelijke bijdragen op dit gebied (monografieën, studies, artikelen). Haar proefschrift, verdedigd in 1983, focuste op vertaalkwesties in verband met filosofische terminologie, haar habilitatie, verdedigd in 1997, op rationele, esthetische en ethische aspecten van vertaling. Het wetenschappelijke en pedagogische loopbaan werd ondersteund door talrijke wetenschappelijke activiteiten en publicaties, stages, onderzoeks- en observatiebezoeken aan universiteiten in Duitsland, Oostenrijk en België. Op basis van de vereiste wetenschappelijke, pedagogische en publicatiecriteria, werd ze na een positief beoordeelde inauguratielezing door de wetenschappelijke raden van de Comenius Universiteit in 2009 tot hoogleraar vertaling en interpretatie benoemd. Zij geeft colleges vertaalwetenschap, stilistiek en praktische vertaaloefeningen. Naast haar Alma Mater werd zij deeltijds aangesteld bij het Instituut van Germaanse talen aan de Filosofische faculteit van de Karelsuniversiteit in Praag, en regelmatig uitgenodigd als gastprofessor vertaalwetenschap aan de Palacký Universiteit in Olomouc.

J. Rakšányiová is ook actief als praktiserend vertaalster, in 1993 – 1999 was ze voorzitter van de Slowaakse vereniging van literaire vertalers, zij is lid van het Comité voor beroeps- en wetenschappelijke vertaling in het literaire Fonds, al jarenlang is ze mede-organisator van de Zomerschool van de vertaling en Vertalersuniversiade, een wedstrijd voor beginnend vertalers.

Nog in de jaren 80 van de vorige eeuw waren de Nederlandse taal en de Nederlandse experts van het taalgebied in Slowakije geen vanzelfsprekendheid. Samen met Wilken Engelbrecht en Abram Muller heeft ze de visie ontwikkeld om Neerlandistiek in Slowakije in het kader van de vertaalopleiding te accrediteren. In 1996 is het gelukt de studierichting Nederlandse taal en Cultuur aan de Comenius Universiteit in Bratislava te openen. De kleine maar zeer ambitieuze afdeling Neerlandistiek heeft ondertussen tientallen afgestudeerden en heeft zijn plaats in IVN en Comenius, geniet erkenning en ondersteuning van de Nederlandse Taalunie, ontwikkelt verdere nauwe samenwerking met zijn partners in Centraal Europa en presenteert zich met rijk onderzoek en publicaties.

Jana Rakšániová combineert ondanks vele uitdagingen succesvol haar privé- en beroepsleven, omdat zij eigenlijk dat doet waarvan ze houdt en houdt van wat zij doet.

Bratislava, 14 mei 2019, Marketa Štefková

 


Laudatio voor professor Herbert van Uffelen

Herbert Van Uffelen werd in 1953 in Antwerpen geboren. Hij studeerde theater-, film- en televisiewetenschappen en Nederlands aan de Universiteit Keulen. Hij promoveerde in 1983 op het schuldmotief in moderne Nederlandstalige romans en verhalen en habiliteerde in 1994 in de literatuurwetenschap. Hij publiceerde in 1993 zijn studie over de rol van de Nederlandse literatuur in Duitse vertaling met als titel: Moderne Niederländische Literatur im Deutschen Sprachraum 1830-1990. Het is een dikke pil van meer dan 860 pagina’s. Vanaf 1984 werkte hij aan de Universiteit Keulen, vanaf 1992 was hij gastprofessor en vanaf 2000 gewoon hoogleraar aan de Universiteit Wenen. In deze 35 jaar leidde hij generaties neerlandici op en stuurde hij vele jonge wetenschappers op pad, bezield met het idee van de verspreiding van de neerlandistiek. Zijn onderzoeksgebied is de moderne Nederlandse literatuur, receptiegeschiedenis, vertaaltheorie en digitale literatuur. Hij heeft meer dan 230 publicaties op zijn naam staan.

Hij is hoofdcoördinator van het digitale platform NedWeb en van het CEEPUS-netwerk, waarvoor hij twee keer een onderscheiding van het Ministerie van Onderwijs heeft ontvangen. Herbert Van Uffelen vond de samenwerking tussen de vakgroepen neerlandistiek in de regio altijd buitengewoon belangrijk. Hij was de initiatiefnemer van talrijke projecten, waarbij hij zo veel mogelijk partners uit Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Roemenië, Bulgarije, Slovenië, Servië en Kroatië wilde betrekken. Eén van de grootste gemeenschappelijke projecten was DCC (Dutch Language, Literature and Culture in a Central European Context), een joint curriculum voor de BA-studie neerlandistiek met zes universiteiten uit vijf landen.

Herbert was een strenge bestuurder en een verbindende kracht in de regio, met een bewonderingswaardige werkmoraal en buitengewoon organisatietalent. Met zijn innovatieve ideeën wist hij de vakgroepen neerlandistiek in de regio te bundelen. Daarnaast heeft hij ook veel gedaan voor de ontwikkeling en het behoud van de vakgroepen in Centraal-Europa, met name in Bratislava, Brno en Debrecen. Tussen 1997 en 2010 was hij verbonden aan de Universiteit Debrecen. Professor Van Uffelen heeft in Debrecen bij de opleiding neerlandistiek niet alleen de eerste generaties neerlandici mede opgeleid, maar ook een leeuwendeel gehad aan de oprichting van de vakgroep en aan de accreditatie van de opleiding. In 2016 kreeg hij de onderscheiding “Pro Cooperatione” van de Hongaarse Academie der

Wetenschappen, afdeling Debrecen, voor zijn jarenlange inzet.

Na 27 jaar in de regio en 35 jaar in de neerlandistiek gaat hij dit jaar met pensioen. Het wordt een nieuwe periode met nieuwe uitdagingen, dáár ben ik zeker van. Wij danken hem voor zijn werk, inzet en meeslepende enthousiasme in al die jaren en wensen hem veel succes in de komende jaren.

Debrecen, 10 april 2019 Gábor Pusztai

 

Lijst van deelnemers regionaal colloquium neerlandicum: Bruggen slaan

Toni Bandov, Universiteit Zagreb

Johannes Beelen, Universität Oldenburg

Hans Bennis, Algemeen secretaris Nederlandse Taalunie

Emmeline Besamusca, Universiteit Wenen

Mathieu Bokestael, Universiteit Riga

Martyna Borowska, Adam Mickiewicz Universiteit Poznań

Benjamin Bossaert, Comenius Universiteit Bratislava

Cor van Bree, Universiteit Leiden

Paola Brodej, Universiteit Zagreb

Bojana Budimir, Universiteit Belgrado

Geert Buelens, Universiteit Utrecht

Adam Bžoch, Slowaakse academie der Wetenschappen, KU Ružomberok

Bozena Czarnecka, Universiteit Wrocław

Zuzanna Czerwonka-Wajda, Universiteit Wrocław

Anikó Dároczi, Karoli RE Boedapest

Paul Demets, Hogeschool Gent, KASK

Gosia Drwał, Adam Mickiewicz Universiteit Poznań

Gosia Dowłaszewicz, Universiteit Wrocław

Wilken Engelbrecht, Palacký Universiteit Olomouc, Katholieke Universiteit Lublin

Sabine Ernst, lid Comenius

Iris van Erve, Internationale Vereniging voor Neerlandistiek

Jakob Faber, Karoli RE Boedapest

Jan Fabry, Katholieke Universiteit Lublin

Zszuszanna Gacsi-Braun, Karoli RE Boedapest

Judit Gera, ELTE Boedapest

Michał Gaska, Universiteit Wrocław

Kirsten de Gelder, Universiteit Kiev

Irena Kozmanová, Karelsuniversiteit Praag

Krisztina Gracza, ELTE Boedapest

Ingrid De Graeve, Nederlandse Taalunie

Camiel Hamans         

Erik Hertog    KULeuven campus Antwerpen

Adrienn Hetei, Universiteit Debrecen

Veronika Horáčková, Masaryk Universiteit Brno

Pim van der Horst, Palacký Universiteit Olomouc

Paul Hulsenboom, Radboud Universiteit Nijmegen

Annyke de Jong, Universiteit Debrecen

Ludo Jongen   gepensioneerd, voorheen Katholieke Universiteit Lublin

Barbara Kalla, Universiteit Wrocław

Jacek Karpinski, Universiteit Wrocław

Stefan Kiedroń, Universiteit Wrocław

Pavlína Knap-Dlouhá, Palacký Universiteit Olomouc

Martin Konvička, Vrije Universiteit Berlijn

Kateřína Křižová, Palacký Universiteit Olomouc

Anna Krysová , Karelsuniversiteit Praag

Judyta Kuznik , Universiteit Wrocław

Bram Lambrecht, KULeuven

Magdalena Lipnicka, Katholieke Universiteit Lublin

Marcin Lipnicki, Katholieke Universiteit Lublin

Gert Loosen, Universiteit Debrecen

Robert de Louw, Adam Mickiewicz Universiteit Poznań

Henriette Louwerse, Sheffield University, Internationale vereniging Neerlandistiek

Elissaveta Manolova, Sveti Kliment Ohridski Universiteit Sofia

Roland Nagy, ELTE Boedapest

István Neméth, Karoli RE Boedapest

Jelica Novaković-Lopušina, Universiteit Belgrado

Mathieu van Obberghen, VUB, Brussel

Premysław Paluszek, Adam Mickiewicz Universiteit Poznań

Željana Pančirov-Cornelisse, Universiteit Zagreb

Jan Pekelder, Université Paris Sorbonne, Karelsuniversiteit Praag

Gábor Pusztai, Universiteit Debrecen

Jana Rakšányiová, Comenius Universiteit Bratislava

Orsolya Réthelyi, ELTE Boedapest

Maarten Rombouts, Universiteit Zagreb

Sofie Royeaerd, Masaryk Universiteit Brno

Lucie Sedláčková, Karelsuniversitei Praag

Magda Serwadczak, Universiteit Wrocław

Anna Sikora-Sabat, Adam Mickiewicz Universiteit Poznań

Joanna Skubisz, Universiteit Wrocław

Tildie Smit, Universiteit Bloemfontein

Julia Sommer  Universiteit Wenen

Krisztina Soós, Karoli RE Boedapesti

Anita Srebnik, Universiteit Ljubljana

Marketa Štefková, Comenius Universiteit Bratislava

Alexa Stoicescu, Universiteit Boekarest

Agata Szubert, Universiteit Wrocław, Palacký Universiteit Olomouc

Jozef Tancer, Comenius Universiteit Bratislava

Ekaterina Tereshko, MGU Moskou

Katarzyna Tryczyńska, Universiteit Wrocław

Rita Temmerman, VUB, Brussel

Yves Tsjoen, Ugent, Masaryk Universiteit Brno, Stellenbosch University

Herbert van Uffelen, Universiteit Wenen

Ute van Uffelen, Universiteit Wenen

Agnieszka Urniaz, Universiteit Wrocław

Jeannick Vangansbeke, Katholieke Universiteit Ružomberok

Orsolya Varga, ELTE Boedapest

Michał Wenderski, Adam Miczkiewicz Universiteit Poznań

Martina Vitáčková, Universiteit van Pretoria

Muriel Waterlot, Katholieke Universiteit Lublin

Karlijn Waterman, NederlandseTaalunie

Frank Westerman, schrijver

Katarzyna Wiercińska, Adam Mickiewicz Universiteit Poznań

Truus De Wilde, Freie Uversität Berlijn

Anna Witczak, Universiteit Wrocław

Twan Zegers, Universiteit Wenen

Claudia Zeller, Universiteit Wenen